Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
Aut. 24.
Art. 24. (a) De hoofd- en hulponderwijzers bekleeden
geene ambten of bedieningen dan met goedkeuring van
Gedeputeerde Staten, die vooraf burgemeester en wet-
houders, en in gemeenten van 3000 zielen en daarbo-
ven de plaatselijke schoolcommissie, in de overige ge-
meenten den districts-schoolopziener hooren.
(b) Zij drijven geen handel, doen geen nering noch
oefenen eenig beroep uit; dit verbod is mede toepas-
selijk op de leden van het gezin der hoofd- en hulp-
onderwijzers , voor zooverre het verbodene ten huize
van dezen zou geschieden.
(a) De wetgever zon toch kunnen bepalen , dat de open-
bare onderwijzer voor het bekleeden eener andere bedie-
ning of het uitoefenen van eenig bedrijf de toestemming
van Gedeputeerde Staten behoeft. (Voorl. Versl. van 22.
Mei 1855.)
(a) Plotselinge en algeheele afscheiding der betrekkingen
(van onderwijzer en kerkelijke bedieningen) zou een groot
aantal plattelands gemeenten in groote ongelegenheid kun-
nen brengen. In het algemeen moest bij het verleenen
van dispensatie met behoedzaamheid te werk worden ge-
gaan. Er worden door onderwijzers niet zelden betrek-
kingen bekleed, die stoornis brengen in den geregelden
loop van het onderwijs. Aan de zaak van het schoolwe-
zen wordt dienst gedaan, door zoo iets, waar het maar
eenigszins mogelijk is, te doen ophouden. (Voorl. Versl.
van 6. April 1857.)
(a) Ten volle vereenigt men zich met het gevoelen,
door de Regering, dat indien een gemeenteonderwijzer
onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten, tevens de
betrekking van koster, voorzanger of dergelijke bekleedt,
zu'n inkomen als zoodanig niet in rekening kan komen