Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
121
Art. 23.
localen der openbare scholen gedurende één uur beschik-
baar gesteld moeten worden, en zal men de bepaling van
het daartoe te bestemmen uur, en van het gebruik daar-
van , beurtelings ten behoeve van iedere kerkelijke ge-
zindte , regelen, door tusschenkomst der schoolopzieners
of der leden van de plaatselijke schoolcommissie, onder
welke de scholen respectivelijk ressorteren, na opzettelijk
overleg met de geestelyken der verschillende kerkelijke
gezindheden in de stad of gemeente. (Art. 11 van het
Koninkl. Besluit van 2. Januarij 1842.)
(c) Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt
overgelaten aan de kerkelijke genootschappen. Hiertoe
zijn de gebouwen voor het openbaar lager onderwijs, bui-
ten de schooluren voor de leerlingen der school beschik-
baar. (Art. 4, 3° alinea van Ontwerp van wet van 22.
Sept. 1854.)
(c) Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt
overgelaten aan de kerkgenootschappen. Hiertoe zijn de
schoollocalen buiten de schooluren voor de leerlingen der
school beschikbaar. (Art. 21, 3° alinea van het Ontwerp
van wet van 30. Dec. 1855 , verder ook art. 21, 3° alinea
van het nadere Ontwerp van wet van 21. Februarij 1857.)
(c) Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt
overgelaten aan de kerkgenootschappen. Hiervoor kunnen
de schoollocalen buiten de schooluren ten behoeve van de
leerlingen, die er ter school gaan, beschikbaar worden
gesteld. (Art. 21 van het Ontwerp van wet van 16. .Junij
1857.)
(c) De Regering stelt er hoogen prijs op, ja zij rekent
het onmisbaar, dat de kinderen van het onderrigt in de
godsdienst niet worden verstoken. Dat onderrigt moet ge-
lijken tred houden met en zich aansluiten aan het school-
onderwijs, en ten einde daarvoor te zorgen, wil de Rege-
ring de gebouwen voor het openbaar lager en middelbaar
onderwijs bestemd, buiten de schooluren, voor de leerlin-
gen der school beschikbaar hebben gesteld. (Mem. v. Toel.
van 22. Sept. 1854.)