Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
3
Inleiding.
worden gehandhaafd, tot dat zij achtervolgens door andere
worden vervangen.
Grondwet. Art. 5 der additionnele art. De ontwerpen
van wet betreffende enz....... het onderwijs enz. worden
zoo mogelijk in die zelfde zitting (de eerste zitting der
Staten-Generaal volgende op de afkondiging der verande-
ringen in de Grondwet) en in allen geval niet later dan in
de daarop volgende voorgesteld.
Den 21. Dee. 1848, N". 104, 5« Afd. deed de minister
van binnenl. zaken, j. m. de kempenaer, eene aan-
schrijving aan Gedeputeerde Staten, dat het grondwettig
voorschrift: het geven van onderwijs is vrij, dan eerst in
werking kan komen, als de nieuwe wet het toezigt had
geregeld.
Aan art. 5 der add. art. werd voldaan: den 3. Sept. 1849
werd een ontwerp van wet, houdende regeling van het
lager onderwijs, in de zitting van de Tweede Kamer der
Staten-Generaal ingediend, door den minister van binnenl.
zaken M^ j. 3i. de kempenaer.
Wegens de aftreding van genoemden minister van bin-
nenl. zaken in Novemb. daaraanvolgende is dit ontwerp
niet in behandeling gekomen.
Den 2. December 1849 , N». 4, 5= Afd., vaardigde de mi-
nister van binnenl. zaken, M'. j. e. thorbecke , eene cir-
culaire uit, waarbij de besturen uitgenoodigd werden, om
de meest mogelijke vrijgevigheid, met het oog op de
grondwet, in acht te nemen, wat de oprigting van bij-
zondere scholen betreft.
In September 1850, bij de opening van de zittingen der
Staten-Generaal, werd er met geen enkel woord, in de troon-
rede , van de wet op het onderwijs melding gemaakt.
Bij de beraadslaging over het antwoord op de troonrede,
werd door den minister te kennen gegeven, dat hij het
hooger-, middelbaar- en lager onderwijs in édne wet wensehte
te regolen.
Den 4. November 1850 werd de minister in de Tweede