Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
119
Aet. 23.
zij behoeft dus geene afzonderlijke vermelding. Voorzeker,
maar onder alle Christelijke deugden bekleedt de liefde de
hoogste plaats. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 1112.)
{Dit belangrijk woord zoo mede de drie vorige aan-
teekeningen zijn hier opgenomen, ofschoon ze niet geheel in
verband staan, met alinea b, maar wel met het art,, voor-
komende in de Ontwerpen van wet van 21. Febr. en 16.
Junij 1857, hetwelk hier boven voorkomt.)
(b) Ik erken dat deze uitdrukking zou kunnen toeschij-
nen eenigzins sterk te zijn. Ik meen echter te mogen her-
inneren , dat deze uitdrukking ook reeds in vroegere Ont-
werpen werd aangetroffen, zonder dat toenmaals op de
groote kracht van de uitdrukking aanmerkingen zijn ge-
maakt. De bedoeling is geweest, om juist door het bezi-
gen van eene krachtige uitdrukking, hier te beter te doen
uitkomen, waarvan de onderwijzer zich onthouden moet;
dat hij zich stipt onthouden moet om iets te leeren, te
doen of toe te laten, wat krenkend is voor de godsdien-
stige begrippen van andersdenkenden. Dat heeft de wet-
gever trachten uit te drukken door de veel omvattende
vereeniging der woorden: „te leeren, te doen of toe te
laten." (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1123.)
(c) De volgende herinneringen uit de geschiedenis van wet-
gevingen en ontwerpen van wet op het onderwijs hebben wij
hier ooh ter mededeeling gepast geoordeeld:
Hij zal zorgen, dat alle onderwijs in de leerstellige god-
geleerdheid der onderscheidene gezindheden, — en alle
eerdienst of uiterlijke cerimoniën, welke aan bijzondere
kerkgenootschappen verknocht zijn, van de publieke schoo-
ien geweerd worden. (Art. 6 der Instructie voor den
Agent van Nationale Opvoeding van 18. October 1798.)
In de schoolboeken en leermethoden zal, met de meeste
zorg, moeten worden vermijd al hetgeen zoude strekken
tot ondermijning eener goede zedekunde, en van den eer-
bied voor het Opperwezen; doch tevens worden daargela-
ten al het leerstellige, dat door de onderscheiden kerkge-