Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
Art. 23.
drukking. Gods woord wordt van de scliool niet geweerd,
wanneer de Staat op de staatsschool niet opdringt, het-
geen daar niet door den Staat kan en mag opgelegd
worden. Maar er is ook hier uitkomst mogelijk. Ge-
steld eene Protestantsche bevolking, die hare kinderen
op de school zendt, stelt er prijs op dat de onderwijzer
ook bepaald den Bijbel met die kinderen leze, dat hij
hem naar zijn vermogen verkläre en de kinderen in
de kennis daarvan opleide: welnu, buiten den school-
tijd , op afzonderlijke uren , is daartoe gelegenheid. Nie-
mand zal grond hebben om zich daarover te beklagen
of te ergeren. Ik zou mij hier te meer over verheu-
gen , omdat men dan niet meer zou inslapen op het
denkbeeld dat werkelijk op de gemengde school gods-
dienstig onderwijs gegeven wordt. Nu zal de Kerk des
te meer genoopt zijn om hare krachten in te spannen,
ten einde aan de kinderen zelve te kunnen geven, wat
hun op de school niet gegeven kan en mag worden.
(Bijbl. 1857, bladz. 1114.)
(a) Hetgeen de christelijke en maatschappelijke deug-
den aangaat, betreft alleen de openbare, niet de bijzondere
scholen. (Min. v. Binnenl. zaken , Bijbl. 1857, bladz. 1198.)
(b) Ooh hij deze alinea vinden wij het niet ongepast,
om mede te deelen, wat daaromtrent in vroegere ontwerpen
en stukken van de Regering voorkomt.
De onderwijzers onthouden zich van iets te onderwijzen,
te doen of toe te laten, kwetsend voor de godsdienstige
begrippen van eenigerlei gezindheid. (Art. 4 van het Ont-
werp van wet van 22. Sept. 1854.)
(b) Do onderwijzers onthouden zich van iets te onder-
wijzen , te doen of toe te laten, kwetsend voor de gods-
dienstige begrippen der gezindheid of gezindheden, waartoe
de schoolgaande kinderen behooren. (Art. 21 van het
Ontwerp van wet van 30. December 1855.)
(b) De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren,
te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied)
verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van anders-