Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
103
Akt. 23.
tot dezelfde uitkomsten zal leiden. Het is in elk geval de
pligt van allen, die op hare toepassing invloed kunnen
uitoefenen, te waken dat men aan de uitdrukking der wet
geene beteekenis hecht, strijdig met het oogmerk van den
wetgever. (Mem. v. Toel. van 16. Junij 1857.)
(a) De uitdrukking is ontleend aan de verordeningen
van 1806. Zij is evenzeer gebezigd voor het doel: ont-
wikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen.
Drieledig toch is het doel van schoolonderwijs: aanleeren
van gepaste en nuttige kundigheden; ontwikkeling van de
verstandelijke vermogens; opleiding tot alle Christelijke en
maatschappelijke deugden. Aan deze drieledige bestem-
ming wordt de volksschool dienstbaar gemaakt; maar op
den voorgrond staat het aanleeren van kundigheden; te
midden echter hiervan moet de onderwijzer trachten de
verstandelijke vermogens der kinderen te ontwikkelen en
hen op te leiden tot alle Christelijke en maatschappelijke
deugden. Zoo beschouwd, gelooft de Regering niet, dat
de bedoelde woorden misverstand kunnen doen ontstaan.
(Mem. V. Toel. van 16. Junij 1857.)
(a) Zonder te kunnen of te willen zeggen, wat de op-
leiding tot Christelijke deugden bij het lager onderwijs
bepaald zal moeten bevatten, omdat zij dan minstens zou
moeten geven een overzigt van de Christelijke zedekunde,
ten dienste der gemengde lagere scholen, hetgeen niemand
van de Regering in billijkheid zal of kan verlangen, ge-
looft zij echter het daarvoor te mogen houden, dat een
verstandig Christelijk onderwijzer, hoedanigen ons vader-
land er gelukkig nog velen bezit, ook dan wanneer hij
zich onthoudt van leerstellig onderwijs, of van iets te lee-
ren , te doen of toe te laten, wat met den eerbied, aan
de godsdienstige begrippen van andersdenkenden verschul-
digd , in strijd zou zijn, nog genoeg ruimte zal vinden
tusschen deze hem gestelde grenzen, om aan de jeugd,
welke hem is toevertrouwd, indrukken mede te deelen van
Christelijke gezindheid en deugd. (Mem. van Toel. van
16. Junij 1857.)