Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
99
Art. 23.
volk behoort tot de belijders van het Christendom. Die
belijders behooren wel is waar tot onderscheidene kerk-
genootschappen, maar er is toch een algemeen Christelijk
bewustzijn , hetwelk in allen leeft; er zijn daarmede zamen-
hangende waarheden en gevoelens, welke allen in de har-
ten der kinderen geplant wenschen. Deze behooren te
huis in de volksschool van Nederland. De omschrijving
en bepaling daarvan liggen echter buiten de grenzen der
wet. Bepaalde voorschriften daaromtrent zouden tegen de
vrijheid van geweten kunnen strijden. De wet kan in geen
geval eene godsdienst voor de school vaststellen. Boven-
dien, wat op eene plaats mogelijk is of door de behoefte
der bevolking geëischt wordt, zal elders niet mogelijk we-
zen of niet gevorderd worden.
Het is der Regering voorgekomen, dat aan deze begin-
sels over het geheel zich wel aansluit de formule van het
Reglement A, behoorende bij de schoolwet van 1806, dat
de kinderen zullen opgeleid worden tot alle Christelijke
en maatschappelijke deugden, mits daaraan bepalingen
worden toegevoegd tot handhaving van het beginsel der
eerbiediging, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen
van andersdenkenden, en van het regt der kerkgenoot-
schappen om onderwijs in de godsdienst te geven.
De formule heeft voor zich, dat zij reed» vijftig jaren
in ons schoolwezen kracht heeft gehad, en dat zij genoeg-
zame vrijheid laat om in de onderscheidene behoeften te
voorzien.
Maar strijdt zij niet met art. 194 der Grondwet? De
Regering meent neen. Volgens hare opvatting van deze
bepaling — welke opvatting, zoo zij gelooft, strookt met
de van regeringswege in der tijd medegedeelde motiven, —
heeft zij alleen ten oogmerk buiten de school te sluiten
kerkelijk leerstellig onderwijs en alle onderwijs, hetwelk
niet zou overeenkomen met den eerbied, verschuldigd aan
de godsdienstige begrippen van andersdenkenden. Maar
nu zal het toch niet kunnen gezegd worden kerkelijk leer-
stellig onderwijs te zijn, of op zich zelf te stryden met