Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
Art. 23.
vermogens der kinderen te ontwikkelen, hen met nuttige
kundigheden toe te rusten; maar ook hun hart te vor-
men, hen te stemmen tot godsvrucht en deugd. Hierover
schijnt geen verschil te bestaan.
Ook hierover is men het vrij algemeen eens, dat de vor-
ming van het hart tot zedelijkheid een krachtigen hef-
boom heeft in de godsdienst, ja daarop gegrond moet zijn.
Harerzijds althans belijdt de Regering van die overtuiging
doordrongen te wezen.
Hier intusschen nadert men tot het moeijelijke punt.
Welke godsdienst bedoelt men? In welke mate zal men
de godsdienst in de school brengen ? Hoe zal men ge-
pastelijk in de wet uitdrukken, wat uit zijnen aard be-
zwaarlijk binnen bepaalde grenzen te omschrijven is?
Om tot eene oplossing dezer vragen te geraken, moeten,
200 de Regering vermeent, drie beginsels op den voor-
grond gesteld worden.
In de eerste plaats: de lagere school is niet bestemd
om eigenlijk gezegd onderwijs in de godsdienst, om ker-
kelijk leerstellig onderwijs te geven. Dit is de taak , ja
het regt der kerkgenootschappen, waartoe de kinderen
behooren.
In de tweede plaats: daar de openbare school toegan-
kelijk moet wezen voor kinderen van verschillende gods-
dienstige gezindheden, moet aan de kinderen niets geleerd
worden wat in strijd zoude zijn met hunne godsdienstige
begrippen. De onderwijzer behoort de begrippen van an-
dersdenkenden te eerbiedigen, dien eerbied aan de kinde-
ren in te pi'enten en hen te stemmen tot onderlinge liefde
en verdraagzaamheid.
In de derde plaats: datgene wat aan de godsdienst voor
het schoolonderwijs ontleend wordt, moet zooveel doenlijk
in overeenstemming zijn met de godsdienstige begrippen
der bevolking.
In verband met het laatstgemelde nu, mag en kan,
naar het inzien der Regering, niet voorbijgezien worden,
dat de overgroote meerderheid van het Nederlandsche