Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
97
7\.rt. 23.
' ook dan als de wet geheel daarvan zwijgt. (Mem. v. Toel.
van 30. Dec. 18.55.)
(a) Eene uitdrukkelijke vermelding van de opleiding
tot Christelijke deugden, als doel van het lager onder-
wijs , is, naar het oordeel der Regering, door de Grond-
wet niet verboden. De opleiding tot de Christelijke, als
de meest volmaakte en zuivere deugden , kan zonder twij-
fel met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen
geschieden. Zij moet het doel van elk onderwijs, het
streven van eiken onderwijzer zijn. (Mem. v. Toel. van
30. Dec. 1855.)
(a) Er waren, die op de overneming te dezer plaatse
aandrongen van het voorschrift uit het reglement van
1806, dat het schoolonderwijs zoodanig ingerigt zij, dat
de schoolkinderen daardoor opgeleid worden, „tot alle
maatschappelijke en Christelijke deugden." Indien, gelijk
men toch algemeen erkende, het onderwijs hier te lande
altijd doortrokken zou zijn van Christelijke beginselen en
de waarheid, dat de tegenwoordige beschaving van het
Christendom is uitgegaan, daarop invloed zou hebben,
kon er zoo groot bezwaar niet in bestaan om het woord
Christelijk hier te noemen. Deed men dit niet, men zou
onder den volke woekeren met het vooroordeel, dat de
tegenwoordige wet eene On-Christelijke is, en dus de
oprigting van afzonderlijke gezindheidsscholen bevorderen.
(Voorl. Versl. van 29. April 1856.)
(a) Men hield vast aan het beginsel, dat het onderwijs
kon en moest doortrokken zijn van den geest des Chris-
tendoms. (Voorl. Versl. van 29. April 1856.)
(a) De verkeerde meening zou wortel kunnen schie-
ten , dat leerstellig Christendom op de lagere school te
huis behoort; dat de onderwijzer niet te ver gaat indien
hij met de opwekking tot godsvrucht die op elke goede
school eene vrucht van het onderwijs moet zijn, het in-
prenten van leerbegrippen van een bestaand kerkgenoot-
schap vermengde. (Voorl. Versl. van 29. April 1856.)
(a) Het doel der school moet zijn de verstandelijke
7