Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
Art. 23.
wat daaromtrent, in de ontwerpen, die de wet van 3. April
1806, en hare reglementen zijn voorafgegaan, voorkomt.
De agent zal steeds bedacht moeten zijn, dat de eer-
biedige erkentenis van een alles besturend Opperwezen,
de banden der maatschappij versterkt, en daarom op alle
mogelijke wijzen in de harten der vaderlandsche jeugd
behoort te worden ingedrukt. — Dat door het nationaal
onderwijs de tedere gemoederen niet te veel kan worden
ingeboesemd de heilige wet, waarin alle de pligten van
den mensch in de maatschappij haaren grondslag hebben,
om namelijk aan anderen niet te doen , 't geen wij niet
wenschen dat aan ons geschiede — en ten allen tijde aan
onze medemenschen zooveel goeds te doen, als wij in ge-
lijke omstandigheden van hun zouden wenschen te ontvan-
gen. — Dat de verlichting en beschaving van alle de leden
der maatschappij zooveel mooglijk bevorderd worden. Dat
de jonge burgers en burgeressen van den Staat, aan wier
verlichting en deugd het Bataafsche volk het heilig pand
zijner aangenomen grondstellingen van het maatschappelijk
verdrag ter bewaring heeft aanbevolen, al vroeg in die
grondbeginselen onderwezen worden, en tevens overtuigd,
dat van de echte waardering der vrijheid en van de ver-
standige en eerlijke beoefening der afzonderlijke en alge-
meene regten en plichten, voornamelijk de duurzaamheid,
het behoud en geluk afhangt van het vaderland, dat zij
vuriglijk behooren te beminnen. (Art. 1 der Instructie
voor den agent van Nationale Opvoeding van 18. Oct. 1798.)
Het onderwijs op de openbare of gemeentelijke scholen
zal zoodanig worden ingericht, dat het, door ontwikkeling
van de verstandelijke vermogens der kinderen, geschikt
zij, om hen tot redelijke wezens te vormen, en wijders
om in hunne harten in te prenten, de kennis en het ge-
voel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen, aan de
maatschappij, aan hunne ouderen, aan zichzelven, en aan
hunne medemenschen verschuldigd zijn. (Art. 4 der wet
op het lager onderwijs van 15. Junij 1801.)