Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
Akt. 22.
ten zijn toedoen, aan enkele leden van den Gemeenteraad
te mishagen, en spoedig zouden deze het zoo ver kunnen
brengen, dat hem zijn ontslag wierd gegeven. (Mem. v.
Toel. van 21. Febr. 1857.)
(d) De Regering heeft niet kunnen besluiten, den Ge-
meenteraad onbeperkte vrijheid te verleenen, tot het geven
van ontslag aan de onderwijzers. Eenigen waarborg is
noodig tegen vooringenomenheid en vooroordeel. — De
opmerking moge niet onjuist zijn, dat het niet in onze
zeden ligt, in dit opzigt met drift of overijling te werk
te gaan, maar het ware toch eenigszins gewaagd, hierop
te veel te vertrouwen, en den onderwijzer geheel afhan-
kelijk te maken van het Gemeentebestuur. (Mem. v. Be-
antw. van 16. Junij 1857.)
(e) Kan een Gemeentebestuur niet genoopt worden tot
het schorsen en ontslaan van een nalatig, onzedelijk of
door ouderdom, ziels- of ligchaamsgebreken geheel onge-
schikt onderwijzer, het onderwijs zal buiten twijfel schade
lyden. (Mem. v. Toel. van 22. Sept. 1854.)
(e) Schorsing heeft wel degelijk het kenmerk eener straf.
Het was dus rationeel de tweeledige schorsing met of
zonder verlies van bezoldiging te behouden. (Voorl. Versl.
van 6. April 1857.)
(f) Er zijn gevallen denkbaar, dat men den onderwij-
zer maar eene ligte straf wil opleggen, en hem dus [bij
de schorsing] een gedeelte zijner bezoldiging wenscht te
laten behouden. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
(g) De besluiten tot ontslag van hoofd- en hulponder-
wijzers zullen uit den aard der zaak in elk geval de
reden«van het ontslag vermelden, dus ook indien ergerlijk
levensgedrag de reden is. Het schijnt alzoo onnoodig,
door de wet hieromtrent eene verpligting te doen opleg-
gen. Voor openbaarheid van het besluit, dat het verlies
der bevoegdheid tot het geven van onderwijs ten gevolge
heeft, zal de vereischte zorg worden gedragen. (Mem.
V. Toel. van 21. Febr. 1857.)
(g) Moést niet, om althans eenigen waarborg te schen-