Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
83
geuren in het rond verspreidende. Op de overblijfselen van
vergane planten stapelt zich een nieuwe laag, even krachtig als
die, welke haar thans voedsel toevoert, voorheen is geweest,
— en zoo gaat het voort, altijd voort, totdat eenmaal de mensch
er zich meester van maakt, het bosch ontgint, de boomen velt,
en de rijkdommen, die thans niemand van dienst zijn, tot zich
zal trekken. Nu kan men zich nauwelijks met de bijl een kort
pad maken in de woestenij; eenmaal wellicht zal ook hier het
oog rusten op vruchtbare akkers en welige boomgaarden.
Hier, in dit woud, zoo uitgestrekt, dat men, al ware het
door gebaande wegen gesneden, dagen zou noodig hebben, om
het eind ervan te bereiken, hier vertoont zich het wonder, dat
lente en herfst ineenvloeien. Aan denzelfden boom aanschouwt
men rijpe vruchten en ontluikende bloemen tegelijk; waar de
bladeren afvallen, schieten onmiddellijk nieuwe loten te voor-
schijn ; de geur van geopende bloemkronen vermengt zich met
de uitwaseming van rottende stengels. Een koele, vochtige
luchtstroom waait ons tegen, want de zonnestralen, hoe fel zij
ook branden tusschen de keerkringen, zijn niet bij machte haar
volle kracht tpt op den bodem te doen doordringen, terwijl de
dampen, die van den grond opstijgen, door het bladerentak
worden tegengehouden.
Men zou een geheel boek kunnen vullen met een be-
schrijving van al de voorwerpen, die het woud te zien geeft:
het spreekt dus vanzelf, dat wij ons slechts voor een oogenblik
met enkele bijzonderheden mogen bezighouden.
Reeds de toegang tot het woud is uiterst moeilijk. De
reiziger heeft de laatste dorpen, verscholen onder geboomte
en omgeven door rijst- of maïsvelden, achter zich gelaten.
Hij is de bebouwde streken voorbij,. en voor zich ziet hij
nu een uitgestrekt terrein, bedekt met hard gras, ter hoogte
van een meter, van een doodsche, dofwitte kleur. Alang-
alang heet dit gewas, en het kost een zware inspanning,
de begroeide vlakte door te trekken, daar de scherpe, droge
bladeren dikwijls gezicht en handen wonden; gezwegen nog van
het gevaar, dat er aan verbonden is, omdat juist hier zich vaak
6*