Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
76
binnen een bruin taai omhulsel zit een wit, sappig vruchtvleesch,
van een paar centimeters doorsnede. Dan de Mangga, waar-
van het binnenste geel en zeer week is. Veel grooter is de
Broodvrucht. Zij bereikt den omvang eener meloen, wordt ge-
plukt, voor zij geheel rijp is, en dan in schrijven gesneden,
gestoofd gegeten. De Doerian wordt door de inlanders op
hoogen prijs gesteld; hij is kogelvormig, zoo groot als een
kokosnoot en met scherpe stekels bezet; ieder der vijf kluisjes,
waarin de vrucht verdeeld is, bevat twee of drie zaden, elk
zoo groot als een kastanje. Niet deze zaden zelf, maar het
zachte, roomkleurige vleesch, dat ze omgeeft en den vorm
heeft van een ei, maken het door de liefhebbers meest geachte
deel der vrucht uit. Er behoort eenige moed toe, om aan
zoo'n doerian te beginnen, want hij bezit een gansch niet aan-
genamen, sterken knoflookgeur; maar zij, die den afkeer daar-
door verwekt te boven zijn, verkiezen veelal deze vrucht boven
elke andere.
Wie van zoetigheid houdt, kan hier terecht: een der kooplui
biedt einden suikerriet aan, van de buitenvezels ontdaan, en waar-
op de liefhebbers gretig kauwen. Een straatnegociant komt
ons tegen met groote bakken aan een draagstok over den schou-
der ; daarin is zijn koopwaar, die hij onder het gestadig roepen
van „dendeng" rondvent. En wat is nu dendeng} Dat is buf-
felvleesch, 't welk eerst gezouten, in smalle reepjes gesneden
en dan in de zon gedroogd werd. Een schotel met rijst, een
paar vruchten en een weinig dendeng vormen te zamen een
volledigen Javaanschen maaltijd.
Wij wenden nu onze schreden naar dat gedeelte van de ri-
vier, waar de inrichtingen voor de Marine gevonden worden.
Voor het nazien en zoo noodig herstellen van schepen dienen
de beide droogdokken: een yast, aan den wal uitgegraven, en
een drijvend. Het eerste is zoo ingericht, dat, wanneer het
schip door een sluisdeur is binnengelaten, het water kan wor-
den weggepompt. Een drijvend droogdok ligt op stroom ge-
ankerd; het is een groote bak, dien men met water laat vol-
stroomen tot de diepte, vereischt om het schip er boven op te
doen drijven. Vervolgens pompt een stoomwerktuig het water
weg; het drijvend dok rijst, en het vaartuig, dat gerepareerd