Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
Zoo hebben we dan gezien, dat de inlanders van Java onder-
scheiden worden in drie, door hun taal verschillende stammen,
namelijk Javanen, Soendaneezen en Madoereezen. We moeten
evenwel in het oog houden, dat de afscheiding tusschen deze
drie stamverwante volken niet overal even scherp is, omdat zij
in den loop der eeuwen min of meer zijn vermengd geraakt.
Aangaande de taal is het volgende op te merken: het laag-
Maleisch, waarvan wij reeds vroeger met een enkel woord ge-
waagden, is door Europeanen ingevoerd, om het verkeer met
de inlanders gemakkelijk te maken, en met de inlandsche hoof-
den van minderen rang wordt meestal in die taal gesproken.
De lagere bevolking verstaat haar echter niet, en daarom wordt
tegenwoordig door onze aanstaande ambtenaren veel werk ge-
maakt vooral van het Javaansch, dat door 11 millioen menschen
wordt gesproken; het Soenda'sch, de taal van 4 millioen per-
sonen , en het Madoereesch, nauw aan het Javaansch verwant,
waarvan 2 millioen menschen zich bedienen, zijn in den laatsten
tijd mede vlijtig door een deel der ambtenaren beoefend.
De inlanders van den minderen stand worden Koelies genoemd;
eigenlijk is dat de algemeene naam van de sjouwerlieden, wier
getal vrij groot is, en wier diensten onmisbaar zijn bij het ver-
voer van koopmansgoederen. De echte koelie is niet groot,
maar sterk, geduldig en onvermoeid. Zijn behoeften zijn gering;
hij vergenoegt zich met eenvoudige spijzen, wat rijst, een stukje
buffelvleesch en een handvol vruchten, en ook van zijn kleeding
maakt hij weinig werk, want een katoenen broek en een hoofd-
doek zijn voor hem voldoende. Op zijn eerlijkheid kan men
zich volkomen verlaten.
Minder is dit het geval met den inlander, die eenige jaren
bij Europeanen in dienst is geweest. Vooreerst voert hij dan
niet veel uit, en bepaalt zich uitsluitend tot één soort van werk,
zoodat een Europeaan van eenig aanzien een groot aantal
dienaars noodig heeft en toch slecht bediend wordt; daarbij
neemt hij van lieverlede zekere grootemenheers-manieren aan,
die vrij bespottelijk zijn, en eindelijk weet hij allerlei listen te
bedenken, om zich ten koste van zijn meester het een of ander
toe te eigenen. Een man, die pas van zijn dorp komt en voor
het eerst zijn diensten aanbiedt, is beter te vertrouwen, omdat