Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
staande houden in afwachting van betere tijden. Het was niet gemak-
kehjk te bepalen, waar men dit het best kon vestigen; som-
migen dachten aan het schiereiland Malakka (het zuidelijkst
deel van Achter-Indië, thans aan Engeland behoorende); anderen
aan het eiland Amboina, een van de voornaamste Molukken,
terwijl slechts weinigen op Java den blik richtten. Wij zullen
zoo dadelijk zien, hoe de omstandigheden plotseling de keus
bepaalden. Daarbij eischten nog de Heeren bewindhebbers in
Nederland , dat men zich in de Molukken zou staande houden , de
Spanjaarden bestrijden, die de Philippijnsche eilanden (ten Noor-
den van de Soenda-eilanden) in bezit hadden, handelsbetrek-
kingen aanknoopen met China, en, wat het voornaamste
was, alle jaren kostbare ladingen specerijen naar 't vader-
land zenden. Evenwel lieten die Heeren het geheel ontbre-
ken aan middelen, om den strijd te voeren; de schepen
waren klein in getal en niet zelden ongeschikt voor den zee-
oorlog, terwijl er ook vaak gebrek was aan kruit en andere
benoodigdheden. Ondanks dat alles aarzelde Coen niet, ja,
zelfs spoorde hij de bewindhebbers aan tot krachtig volhou-
den. „Wanhoopt niet, ontziet uw vijanden niet", — zoo schreef
hij hun, -— „daar kan in Indië wat groots verricht worden."
In 1614 hadden de Engelschen een factorij gesticht te Ma-
kasser , de hoofdstad van het eiland Celebes , en vandaar dreven
zij handel op de Molukken, inzonderheid met de eilanden Banda
en Amboina. De bewoners der specerij-eilanden, (zoo worden
de Molukken ook wel genoemd), ontvingen hen even vriendelijk
en met dezelfde ingenomenheid , als zij vroeger de Hollanders
hadden behandeld, maar dat was toevallig niet in ons belang;
daarenboven, het maakte inbreuk op de leveringscontracten,
welke wij vroeger met die lieden hadden gesloten. Ook te
Bantam gingen de Engelschen aldus te werk, doch Coen kende
hun listen en verijdelde ze niet zelden. Het gevolg was, dat
zij hem een feilen haat toedroegen.
De rijksbestuurder van Bantam, die een shm man was, en
misschien heel gaarne alle mogelijke soorten van Europeanen
weer zou zien vertrekken, begunstigde nu eens de Hollanders,
dan weder de Engelschen; zoo doende, dacht hij, zou geen
van beide volken te grooten invloed verkrijgen.
3*