Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
34
tot den hoofdzetel van ons bestuur in Indië. Toen we het Water-
looplein bezochten, hebben we er reeds een blik op geslagen.
Jan Pieterszoon Coen werd in 1587 te Hoorn geboren, waar
men eerlang ook een gedenkteeken te zijner eer zal oprichten.
Reeds vroeg toonde hij veel aanleg voor den handel; een gun-
stige gelegenheid, om de daartoe noodige kennis te verkrijgen
vond hij op het kantoor van den beroemden koopman Pisca-
tori te Rome, die hem vooral het Italiaansch boekhouden gron-
dig liet beoefenen. Vijftien jaren na de oprichting der Oost-
Indische Compagnie deed hij eenige reizen naar Indië, eerst als
onder-, later als opperkoopman en commandeur. De eerste
Gouverneur-Generaal Pieter Both stelde zijn bekwaamheden op
prijs, en benoemde hem in 1613 tot algemeen boekhouder en
directeur van den handel te Bantam. In die betrekking bewees
hij de rechte man op de rechte plaats te zijn; de zaken, door
onachtzaamheid en oneerlijkheid van vele ambtenaren in wan-
orde geraakt, bracht hij weder in het gereede.
Zijn blikken reikten echter verder dan de kantoorboeken.
Als een vastberaden en doortastend man zag hij duidelijk, dat
er krachtige maatregelen noodig waren, om ons op den duur
in het bezit van den Indischen handel te handhaven, zoowel
tegenover de afwisselende luimen der inlanders, als tegenover
de kuiperijen der Engelschen. Op de laatsten vooral had hij
het slecht begrepen; daar was wel reden voor, want overal,
waar de Hollanders als het ware het ijs gebroken hadden, zeil-
den de Engelschen hen achterna. Ons gunden zij wel de moei-
lijkheden, als zij zich de vruchten maar konden toeëigenen. Het
was Coen's vaste overtuiging, gelijk hij ook aan de Heeren XVII
schreef, dat „ih Indië de handel moet worden gedreven en ge-
handhaafd onder beschutting van de wapenen; de wapenen
moeten worden bekostigd door de voordeelen, die wij genieten
door den handel, zoodat de handel niet zonder den oorlog,
noch de oorlog zonder den handel kan bestaan."
Nog een ander en zeer moeilijk vraagstuk was in die dagen
aan de orde. Tot nog toe had men zich er toe bepaald, hier
en daar leveringscontracten te sluiten en factorijen te stichten,
vooral in de Molukken; maar het ontbrak aan een vast mid-
denpunt, waar men zich, als het eens tegenliep, zou kunnen