Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
heeft de kapitein het anker doen vallen, of het vaartuig aan
een der palen vastgemeerd, of er komen een paar officieren aan
boord; de een moet een lijst hebben van de passagiers en de
manschappen; de ander, een militair geneeskundige, heeft te
onderzoeken, of er ook lijders aan besmettelijke ziekten aan
boord zijn. Daarna komt een-beambte van het tolkantoor, om
de koffers en verdere bagage na te zien, en aangifte te ontvangen
van goederen, van welke invoerrechten betaald moeten worden.
Eindelijk zijn wij vrij man, en mogen we in de sloep gaan
om naar de kade geroeid te worden, of de loopplank betreden.
Vervolgens stappen we maar dadelijk naar het station, en nemen
plaats naar Weltevreden, dat met zijn buitenwijken (Molenvliet,
Noordwijk, Rijswijk of Pasar Baroe) ongeveer een uur zuid-
waarts van de Oude stad ligt.
Bij de aankomst aldaar hebben wij niet naar den weg te vragen.
Een aantal rijtuigen wachten op „een vrachtje", precies als in
Nederland, en het geroep „Karetta, toewan! {etn rijtuig, mijn-
heer !) beduidt zooveel als een uitnoodiging om plaats te ne-
men. Wij bedenken ons niet lang en stappen in een zoogenaamde
dos-à-dos, een licht voertuig op twee wielen, met ruggelings
geplaatste banken, en met een klein doch vlug paard bespan-
nen , ons toevertrouwende aan de zorgen van onzen bruinen
koetsier, die er in zijn rood katoenen buisje en met zijn glim-
menden, door een vergulden band omgeven, halfhoogen hoed
vrij netjes uitziet. Als aanwijzing roepen wij hem toe: Hôtel
des Indes! (Indisch logement, te Molenvliet). Twee sjou-
werlieden hebben inmiddels onze koffers van het goederen-
bureau gehaald en in een ander rijtuig gezet, in een grabak,
een houten kar, die altijd stapvoets moet rijden, — en wij
gaan vooruit, in vluggen draf. Na weinige minuten houden
we stil voor een eenvoudig, net logement van één verdieping,
waar de beleefde bediende ons op ons verzoek een kamer aanwijst.
6. Te Batavia.
Ons voornemen is, nu eerst de Oude stad te gaan zien , die
zoo lang het middenpunt is geweest van het Nederlandsch ge-