Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
H
aan te nemen. Het hoofddoel was toch bereikt: onze vaderen
hadden zekerheid bekomen aangaande den zeeweg naar Indië
en waren eenigszins op de hoogte gekomen van den toestand
aldaar. Den Augustus 1597 kwam de vloot weder te
Texel: zij had één schip en een aanzienlijk deel van de be-
manning verloren.
Hoewel die eerste tocht groote schade had opgeleverd, schonk
hij toch in het vervolg rijke voordeelen. Terstond vereenigden
zich in de voorname steden van ons land kooplieden tot gezel-
schappen (compagnieën), om voor gezamenlijke rekening schepen
naar Indië uit te rusten. De meest bekende dier maatschappijen
is de reeds vroeger genoemde Amsterdamsche Compagnie van
Verre; zij zond in 1598 Jacob van Neck als admiraal met 8
schepen uit. Deze kloeke zeevaarder begaf zich nu niet naar
Java, maar naar de veel verder oostwaarts gelegen Molukken;
met een rijke lading peper en nagelen keerde hij huiswaarts.
De omstandigheid evenwel, dat de handel op Indië door zoo
velen werd gedreven, deed de voordeelen verminderen. De ver-
schillende compagnieën zochten elkander te benadeelen, in plaats
van haar krachten te vereenigen tegen de gemeenschappelijke
vijanden, de Portugeezen. Gelukkig begrepen zij dat nog in
tijds; zij deden pogingen tot toenadering, die in het eerst wel
op groote zwarigheden stuitten, doch eindelijk, vooral door de
tusschenkomst van den Lands-Advocaat Oldenbarneveld en van
Prins Maurits, met goed gevolg werden bekroond. Uit de
samensmelting der verschillende Indische handelsgezelschappen
ontstond in 1602 de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, die
van de Staten-Generaal voor een tijdperk van 21 jaar het uit-
sluitend recht verkreeg, om handel te drijven op de landen ten
Oosten van de Kaap de Goede Hoop gelegen.
Genoemde Compagnie werd in den loop der zeventiende eeuw
een machtig lichaam. Van de Staten-Generaal was zij nagenoeg
geheel onafhankelijk; zelve stelde ze haar ambtenaren aan, zij
sloot overeenkomsten met de Indische vorsten, wapende schepen
en wierf soldaten aan, om de bedongen rechten des noods te
verdedigen tegen wie er ook inbreuk op wilde maken. Aan-