Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
getelijk geworden door het gedwongen winterverblijf van Barendsz
en Heemskerk op Nova-Zembla.
Tot heden toe is zeer dikwijls, door verschillende zeevarende
mogendheden, naar een noordelijke doorvaart gezocht.
Kort geleden is het een Zweedsch geleerde, Professor Nor-
denskjöld, inderdaad gelukt, uit zijn vaderland langs de noor-
delijke kusten van Europa en Azië den Grooten Oceaan (Stille
Zuidzee) te bereiken. De ontzaglijke moeielijkheden, op dien
tocht ondervonden, maken het evenwel twijfelachtig, of de weg,
door hem gevolgd, een handelsweg kan worden.
De Portugeezen deden al het mogelijke, om hun geheim te
bewaren; tegen den uitvoer van kaarten werd door hen met de
doodstraf gedreigd. Toch konden zij de Indische vaart op den
duur niet verborgen houden. Een zeereiziger. Jan Huygen van
Linschoten, maakte in hun dienst een tocht naar Malabar mede;
in zijn vaderland teruggekeerd, stelde hij een verhaal van zijn
wedervaren samen, dat na drie jaren, in 1595, geraed was, en
waarvan een afschrift op de eerste reis, waarvan wij aanstonds
zullen spreken, werd medegenomen.
Een beroemd aardrijkskundige, de Amsterdamsche predikant
Plancius, hield zich mede ijverig bezig met onderzoekingen.
In het jaar 1592 gelukte het dezen geleerde vijf-en-twintig zee-
kaarten te koopen van den Spanjaard Bartholomeo de Lasso,
die bij koning Filips de betrekking van meester van de zeevaart
had bekleed. Nu was men met de oplossing van het groote
vraagstuk een goed eind gevorderd. Eenige Amsterdamsche
kooplieden richtten , op raad van Plancius, een maatschappij van
verre (landen) op. Vervolgens besloten zij een stoutmoedig man
naar Lissabon te zenden, om nog andere inlichtingen in te
winnen; hij zou, om geen argwaan te wekken, in de Portu-
geesche hoofdstad handel drijven, en van tijd tot tijd zouden
hem goederen gezonden worden. De persoon, die zich voor
dat gevaarlijk werk beschikbaar stelde, was Cornelis Houtman
van Gouda. Hij vertrok naar Lissabon, nog in hetzelfde jaar,
en keerde in 1594 van daar terug.
Opnieuw werd toen de zaak besproken, en op krachtig aan-
sporen van Plancius besloten de Amsterdamsche reeders tot de
gewaagde onderneming over te gaan. In het begin van 1595