Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
Zoo is over het algemeen de toestand tusschen de keerkrin-
gen. Die bestendige, steeds in dezelfde richting waaiende win-
den heeten passaten.
Doch op de Indische eilanden — en ook elders — komen
nog andere invloeden in het spel.
Het vasteland van Midden-Azië, dat uitgestrekte woestijnen
en naakte, rotsige vlakten bevat, wordt gedurende de zomer-
maanden zeer sterk verhit. Aanhoudend stijgt daar dan lucht
omhoog, die, door den Noordoost-passaat weggevoerd, een
ruimte laat, welke uit de tegenovergestelde richting, van de
kusten des Indischen Oceaans, wordt aangevuld.
Vandaar komt dus een stroom uit het Zuidwesten. Deze
luchtmassa ontmoet op haar tocht hooge bergen, die haar dwin-
gen zich van haar waterdamp te ontdoen, en snelt alzoo, als
regenwind of regenmoeson, verder.
Tegen den herfst houdt in Midden-Azië die buitengewone
verhitting op, en daarmee de toestrooming van lucht uit het
Zuidwesten. De Noordoost-passaat herneemt haar overwicht,
en de tijd van droogte treedt in. Men zegt dan, dat de Noord-
oost-moeson is doorgekomen.
Let wel, dat we hier gesproken hebben van landen, ten
Noorden van den Evenaar gelegen. Ten Zuiden van die lijn,
dus ook op Java, heeft het tegenovergestelde plaats. Daar zou
de Zuidoost-passaat altijd waaien, indien geen andere krachten
zich deden gelden. Maar aangezien het daar van October tot
April zomer is, en de sterkere verwarming van het land een
luchtstroom in tegenovergestelde richting doet toevloeien, heeft
men daar gedurende deze maanden Noordwestmoeson, dat is
regentijd. Van April tot October is het droogte, met Zuid-
oostenwind.
In de kuststreken heeft men geregeld ieder etmaal bij afwis-
ling land- en zeewind. Doordien het land bij dag warmer is dan
de zee, stroomt alsdan van de laatste lucht toe; des nachts heeft
het omgekeerde plaats. Het tijdstip, waarop die winden beur-
telings doorkomen, hangt af van ligging en plaatselijke gesteld-
heid; te Batavia begint de zeewind 's morgens omstreeks half
elf te waaien, de landwind 's avonds te half acht.
De overgang (kentering) der moesons duurt gewoonlijk van vier