Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
in stellen, dan zijn wij nagenoeg even onverstandig, als een
Hollander zou wezen, die zich onverschillig wilde toonen ten
opzichte van Friesland of Noord-Brabant.
Hoe zouden wij het kunnen verantwoorden, indien wij niet
van harte gaarne bekend wilden worden met dat rijk en uitge-
strekt gebied, welks landbouw reeds sinds eeuwen zooveel kost-
bare handelsartikelen oplevert, en dat nog voor de toekomst
zooveel schatten belooft? Reeds de plicht der dankbaarheid zou
er ons toe dwingen. Immers, wie een weldaad ontvangt, be-
hoort belang te stellen in zijn weldoener.
Neerlandsch-Indië is onze weldoener. Schatten zijn ons van-
daar toegevloeid. En nog ligt er veel onaangeroerd, dat ons,
wie weet hoe spoedig, aanzienlijke voordeelen zal verschaffen.
Er is nog meer. Het Neerlandsch-Indisch bestuur heeft be-
hoefte aan knappe menschen. Daar ginds is zooveel te doen,
wat heldere hoofden en rappe handen vereischt! Jongelieden
^an aanleg vinden daar gelegenheid om vooruit te komen, om
een schat van ondervinding op te doen, en, wat ook niet on-
belangrijk is, om goede bezoldigingen te verdienen. Dat maakt,
dat jaar op jaar een aantal personen er heen gaan, die meenen,
in Oost-Indië spoediger hun oogmerk te kunnen bereiken dan
hier; zoodat een zeer groot aantal familiën af en toe een of meer
harer leden derwaarts hebben zien vertrekken. Zouden wij dan
niet bekend willen worden met het tooneel, waarop die moe-
dige mannen en vrouwen hun werkzaamheden verrichten, waar
wellicht onze eigen bloedverwanten zich bevinden, ja, wie weet,
waar misschien wijzelf, ten minste sommigen van ons, eenmaal
een werkkring zullen aanvaarden?
Maar komaan, ik geloof op algemeene belangstelling te mo-
gen rekenen. Er is een tijd geweest, waarin degenen, die niet
rechtstreeks in Indische zaken betrokken waren, zich ook in
't geheel niet bemoeiden met de lotgevallen en den toestand dier
bezittingen: die tijd is voorbij. Als gij volwassen geworden
zijt, hoop ik, dat er niemand meer zal gevonden worden, die
ten minste niet iets van Indië weet te vertellen.
Opdat wij dan zullen kunnen meepraten, weet ik niets beters
te bedenken, dan dat wij er eens heen gaan, om er hier en daar
een kijkje te nemen.