Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
03
bamboes, een van de reusachtigste vertegenwoordigers dier uit-
gebreide plantenfamilie. Wanneer men na het afsnijden der ge-
pluimde, 3 ä 4 meters hooge stengels het veld ongemoeid laat,
dan schieten uit de stoelen nieuwe stengels op; maar in Indië
wordt ieder jaar op nieuwen grond suikerriet geteeld. Van de
oude stengels worden gewoonlijk de toppen als stekken afge-
sneden , die op een wèl toebereiden en vochtigen bodem in gaatjes
op ruim een halven meter afstand worden gepoot; het afgesneden
veld wordt na den oogst weder voor een sawah (rijstveld) in-
gericht, waartoe natuurlijk de oude stronken uitgetrokken en
weggevoerd moeten worden. Twee jaar later beplant men het
andermaal met suikerriet.
Werd vóór het planten de grond goed omgewerkt en zorg-
vuldig van onkruid gezuiverd, dan heeft het gewas onder het
opgroeien weinig verzorging noodig. Maar is het, na verloop
van acht tot veertien maanden, geschikt om afgesneden en
verwerkt te worden, dan begint er een drukte, waarvan alleen
zij, die onze Nederlandsche beetwortelsuikerfabrieken kennen,
zich een denkbeeld kunnen vormen. De tijd, die verloopt tus-
schen het snijden (begin van Juni) en het oogenblik, waarop
de laatste gereedgemaakte suiker de fabriek verlaat, wordt
maaltijd genoemd. Elke maaltijd wordt met een groot feest
ingewijd, en daarna begint de arbeid, die nagenoeg dag en
nacht wordt voortgezet. Het snijden zelf is reeds een zwaar
werk, want het geschiedt natuurlijk onder een brandende hitte.
Het gesneden riet wordt dadelijk in bossen van 25 stokken
naar de molens gebracht door middel van buffelkarren; daarna
laat men het tweemaal tusschen cylinders doorloopen, en dan
is al het sap er uitgeperst en is het riet alleen nog maar voor
brandstof geschikt. Voorheen werden de molens door buffels
in beweging gebracht, maar thans bezigt men overal den stoom
als beweegkracht, uitgezonderd daar, waar stroomend water
als zoodanig dienst kan doen.
Het uitgeperste sap vloeit in een grooten bak. Het mag
daar echter niet lang blijven, want binnen weinig tijd wordt
het zuur en alzoo voor verdere bereiding ongeschikt. Spoedig
brengt men het daarom in open aarden pannen, waarin het
wordt gekookt. Vervolgens laat men het afkoelen, en nu vor-