Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
hebben willen zorgen. Een bekend verhaal spreekt van een
inlander, die in een gevangen tijgerin zijn gestorven grootmoe-
der bespeurde, omdat het beest precies zulk een vlekje aan den
neus had als de oude vrouw bezat!
Tusschen den prachtig gestreepten, reusachtigen tijger en
den veel kleineren panter, kenbaar aan zijn gevlekte huid, is
een groot verschil; de laatste is echter even bloeddorstig, maar
durft zich zoo niet met groote dieren metsn, en tast ook den
mensch niet aan, dan wanneer zelfverdediging hem er toe nood-
zaakt. Van gelijken onvriendelijken aard, bijna eveneens ge-
teekend doch niet grooter dan onze huiskatten is de wilde kat,
die zich meest ophoudt in het bladerdak der hooge boomen
en daar de vogels tot zijn prooi maakt. De in kleine troepen
rondzwervende wilde honden, die veel op vossen gelijken en
een naargeestig geluid doen hooren tusschen huilen en blaffen
in, kunnen, als zij door honger gekweld worden, voor den
ongewapenden mensch nog wel gevaarlijk zijn.
In de Ä/««_^elden, die gewoonlijk de boschachtige streken
begrenzen en afwisselen, vindt men kudden herten van wel 50
tot 100 stuks. In grootte en voorkomen verschillen zij weinig
van de u welbekende Europeesche soort. Daar hun vleesch
door de inlanders als een fijne lekkernij wordt beschouwd, ma-
ken de Javaansche grooten op dit dier veel jacht in talrijke ge-
zelschappen. De jagerskunst bestaat dan voornamelijk daarin,
dat men, gezeten op een ongezadeld paard, het vlugge dier
voorbijrent, in volle vaart den kléwang trekt 'en het vervolgde
wild met één slag nedervelt. Er is ook nog een hertje, niet
grooter dan een haas, en daarom dwerghert genoemd; sierlijk
gebouwd, met heel tengere pootjes, is het uiterst levendig van
bewegingen. Dit lieve beestje leeft gewoonlijk eenzaam en is
zeer schuw.
Het diepst van het woud herbergt, op de boomen of on-
deraan, tusschen de wortels, nog een dier ter grootte van een
kat, dat om zijn vreemd voorkomen onze opmerkzaamheid trekt.
Het schubdier ontleent zijn naam aan de, als platte dakpannen
over elkander liggende harde schubben, die zijn lichaam, staart
en pooten bedekken, en die ook al door de Javanen worden
gedragen als behoedmiddelen tegen sommige ziekten. De dien-
\