Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
vecht tusschen tijger en buffel, in een besloten kampplaats,
waar de wedstrijd tusschen ruwe kracht aan den eenen, vlug-
heid en list aan den anderen kant, dikwijls twijfelachtig is en
door de talrijke toeschouwers met spanning wordt gadegeslagen.
De banting komt op lage gronden niet voor, maar is vooral
menigvuldig in de hooggelegen bosschen van de Preanger re-
gentschappen.
Wilde zwijnen zijn er ook op Java; de inlanders jagen ze
niet, als onrein in de oogen van den Muzelman. Daardoor
zijn zij op sommige plaatsen talrijk en onbevreesd, wat den be-
langhebbenden bij de teelt van suikerriet minder aangenaam is,
omdat de wilde zwijnen daar groote liefhebbers van zijn. Nu
en dan wordt er door de Europeanen opruiming onder deze on-
genoode gasten gehouden door middel van drijfjachten.
De meest gevreesde bewoner van Java's wildernissen is on-
getwijfeld de koningstijger.
Als zijn stem des nachts langs den boschrand of aan de
drinkplaats klinkt, sidderen alle andere dieren. Wanneer de
paarden over dag de graswildernis naderen, waarin hij een
schuil- en rustplaats heeft gekozen, beven zij over het gansche
lichaam en weigeren dikwijls verder te gaan. De fijne reuk
van het paard heeft dan ontdekt, wat voor het oog van den
mensch verborgen bleef, — want niet de geringste beweging
verraadt de nabijheid van den geduchten vijand. Daar, te mid-
den van het 3 tot 4 meters hooge rietachtig gras, dat den
naam van „glaga" draagt, heeft hij de gespierde leden uitge-
strekt, — daar verzorgt hij zijn jongen, om, zoodra de avond
is gevallen, op roof uit te gaan. Geen dier, de rhinoceros
misschien uitgezonderd, is veilig voor zijn bloeddorst; zelfs de
wilde buffel wordt verraderlijk door hem aangevallen en ver-
moord. Met de snelheid van het licht schiet hij uit zijn hin-
derlaag toe en bespringt zijn forschgebouwde prooi; zijn tanden
slaat hij in den nek, zijn klauwen in de zijden van zijn slacht-
offer ; brullend van smart snelt de buffel heen met zijn moor-
denaar op den rug, eindelijk zinkt het ongelukkig dier ter aarde,
en de tijger brengt hem de doodelijke wond toe. Eenzame
voetgangers worden door den hongerigen tijger aangegrepen en
medegesleurd, — ja, zelfs werpt hij zich soms met één sprong