Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Deel: 1 Java
Auteur: Heijde, H.C. van der; Veth, P.J.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff, 1891
4e herziene dr; 1e dr.: 1875
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1241 : 4e dr. (dl. 1)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204501
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de Oost: een leesboek voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
91
handelsartikel van beteekenis. In Europa dient zij vooral tot
het maken van zeep en pomade.
Zou er wel één boom op aarde zijn, die van zoo veelzijdig
nut is ? En verdient daarom de klapperboom niet den naam,
dien wij hem in ons opschrift gegeven hebben?
Een andere soort van palmen, de areng-palm, geeft geen
eetbare vruchten, doch levert een sap, sagoeweer geheeten,
versch een aangename, maar gegist een bedwelmende drank, en
waaruit ook een scherpe azijn wordt bereid. Men verkrijgt het
op de volgende wijze: de bloesem zit in een hulsel, een soort
van zak; wanneer hij daaruit te voorschijn treedt, maar nog
gesloten is, wordt hij afgesneden, en dan vloeit het verlangde
vocht uit den stengel.
Indien de Javaan den klapperboom den eersten rang op zijn
erf toekent, ik geloof niet, dat hij aan een ander gewas dan
den pisang de tweede plaats zou willen geven. Op het eerste
gezicht zouden wij den pisangboom onder de palmen rangschik-
ken, maar bij nauwkeuriger beschouwing blijkt de stam kruid-
achtig te zijn en te bestaan uit bladscheeden, vast om elkander
gerold, die uit den wortelstok spruiten en ter hoogte van om-
streeks drie meters een bladsteel maken. Naarmate de plant opschiet,
verdorren haar onderste bladeren, die een halven meter breed
en ruim driemaal zoo lang zijn; aan den top vormen de frisch-
groene bladeren een bundel, waaruit de bloemknoppen naar be-
neden hangen. Die knoppen zijn nog grooter dan een van den
vezeligen buitenbast ontdanen kokosnoot; zij bestaan uit een
aantal schubbige platen, die zich achtereenvolgens openen en
ombuigen, om doorgang te verleenen aan trossen gele bloemen.
Uit deze ontwikkelt zich een langwerpige, in de lengte geribde
vrucht, die een der voornaamste en smakelijkste voedingsmid-
delen vormt. Elk jaar sterft de plant tot aan den grond; de
stam wordt dan weggehakt, en uit den liggenden wortelstok
verheft zich een nieuwe, die na weinige maanden weer reus-
achtige bladeren, bloemkolven en vruchttrossen draagt.
Het witte, melige vruchtvleesch is rauw eetbaar, maar kan
ook op onderscheiden w-ijzen gekookt, gebraden en toebereid