Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: W.H. Zeelt, 1863
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1547 : 3e dr.
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204410
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Tot de buitenlandsche vruchtboomea behooren: de citroen- en
oranjeboom, de vijgeboom, de kruidnagel- de kaneel- en de nootmus-
kaatboom , de koffijboom , de olijfboom.
Boschboomen zijn hoornen, die ons voornamelijk alleen hout opleveren.
Tot de boschboomen behooren: de eik, de beuk, de berk, de
wilg, de linde, de populier, de wilde kastanje, de acacia.
Naaldboomen zijn boomen met smalle en stijve, als naalden gevormde,
bladen, welke in het najaar niet afvallen, maar doorgaans 'swinters
overblijven.
Tot de naaldboomen behooren : de spar, de den, de ceder, de
cypres , de taxusboom.
Palmen zijn boomen, wier stammen kokervormig , meestal met schub-
ben bedekt en alleen aan den top van groote bladeren voorzien zijn.
Tot de palmen behooren: de kokospalm, de sagopalm, de dadelpalm.
Men onderscheidt de planten ten aanzien van haren ouderdom in,
eenjarige, tweejarige en overblijvende planten.
Eenjarige planten zijn zulke , die binnen den tijd van een jaar zich
ontwikkelen, zaad geven en dan sterven.
Tweejarige planten bereiken gedurende het eerste jaar eene zekere
hoogte , maar worden eerst in het tweede jaar volwassen , geven als dan
zaad en sterven.
Overblijvende planten bereiken eenen , dikwijls zeer hoogeu ou-
derdom.
Sommige paddestoelen en zwammen leven slechts weinige dagen,
eenige boomen, zoo als de eik en de linde, honderd en meer jaren.
Dc mensch wendt de voortbrengselen uit het plantenrijk tot velerlei
nuttig gebruik aan.
Van de planten worden gebruikt: de wortels, de stengels en üfi-
zels, de bast, de bladen, de bloemen, de vruchten, het zaad, het
zaadomkleedsel, of de sappen.
Tot de planten, waarvan de wortels gebruikt worden, biehooren:
de gewone wortel of peen, de witte wortel, de beet of biet, de
meekrap, de kliswortel, dc alandswortel, de gentiaan , de gember ,
de rhabarber, de ipecacuanha, de zoethontwortel.
Tot de planten, waarvan de stengel of zijne vezels gebrnikt wor-