Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: W.H. Zeelt, 1863
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1547 : 3e dr.
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204410
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
i3
Schildpaddea, Hagedissen en 'Slangen ademen hun geheele leven
door longen.
klasse der visschen.
Visschen zijo gewervelde dieren, die koud bloed hebben, eijeren
leggen en door kieuwen ademen.
De visschen zijn voorzien van vinnen en cenea staart.
De vinnen worden onderscheiden in rug-, borst-, buik-, aars- en
stiartcinnen.
De staart is bij de meeste visschen sterk en breed. Hij dient even
als de vinnen tot het zwemmen.
Het ligchaam der visschen is met schubben bekleed, die bij de
meesten even als dakpannen over elkancler gelegd zijn.
Enkele visschen hebben eene gladde, naakte huid, sommige zijn
met harde schilden omgeven of wel met pennen bedekt.
De meeste visschen hebbeu een groot aantal tanden, en inwendig
eene blaas met lucht gevuld, zwemblaas genoemd, die hun dient om
het gewigt van hun ligchaam te verminderen.
Eenige visschen leven alleen in de zee; andere alleen in zoet wa*
ter, enkele gedeeltelijk in zee en gedeeltelijk in de rivieren.
Tot de seevisschen behooren: de Haaijen, de Roggen, de Ka-
beljaauwen.
Tot de riviervisschen behooren: Karpers, Snoeken.
Tot de zee- en riviervisschen behooren: Zalmen, Elften, Steuren.
De visschen worden verdeeld in kraakbzenige en heenige visschen.
Kraakbeenige visschen zijn zulke , waarbij de schedel uit één stuk
be&taat en het geraamte week en buigzaam is. .
Tot de kraakbeenige vissclien behooren: de Steuren, de Haaijen,
de Roggen, de Zaagvisch.
Beenige visschen hebben een schedel, die uit verscheidene stukken
bestaat, en een hard geraamte.
Onder de heenige visschen behooren de weekvinnige en de stekel-
vinnige,
Weekvinnige zijn zulke, waarbij de graten of stralen der vinnen week
en buigzaam zijn.
Tot de weekvinnige behooren: de Meervallen, Karpers, Vorens,