Boekgegevens
Titel: De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Auteur: Degenhardt, W.
Uitgave: Amsterdam: W.H. Zeelt, 1863
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 1547 : 3e dr.
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204410
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De rijken der natuur: handboekje voor de lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
kieuwen ademen. De eijeren der kruipende dieren hebben eene buigzame,
lederachtige schaal. Sommige kruipende dieren leven alleen in het water,
eenige alleen op het land, vele in het water en op het laud tevens.
Eenige kruipende dieren zijn met schubben of schilden bedekt,
andere hebben eece naakte huid.
De meeste kruipende dieren voeden zich met andere dieren; slechts
eene soort, de landschildpadden, voedt zich met planten.
De kruipende dieren hebben weinig ontwikkelde zintuigen, maar
een zeer taai leven.
De kruipende of tweeslachtige dieren worden verdeeld in -4 Orden :
Schildpadden, Hagedissen, Slangen, Kikvorschen.
De Schildpadden hebben geeue tanden, vier pooten, en ziju met
eeue harde schaal of schild bedekt, waar het bekende schildpad van
gemaakt wordt.
Tot de schildpadden behooren: De land-, de moeras-, de rivier-,
en de zeeschildpadden.
Dc Hagedissen hebben vier korte pooten en eenen langen staart.
Hunne tong is soms dun en gespleten, soms dik. De huid is meestal
met schubben of stekels bezet.
Tot de Hagedissen behooren: de Krokodil, de Kaaiman of AlligUor,
de Kameleon, dc gewone Hagedis.
De Slangen hebben geeue of slechts zeer kleine pooten. Hun bek
is van scherpe tanden voorzien, hunne tong is spits en geslepeu,
Eenige slangen hebben vergif.
Tot de vergiftige Slangen behooren: de Ratelslang, de Brilslang,
de Adder.
Tot de niet vergiftige Slangen behooren: de Reuzenslang, de Ringslang,
Kikvorschen leven in het water en op het land. Zij hebben jong
eenen staart, dien zij later verliezen, en slechts aan de bovenkaak tan-
den. Hunne achterpooten zijn langer dan de voorpooten, waardoor
zij ver springen kunnen.
Tot de kikvorschen behooren ook de Salamanders.
Kikvorschen beginnen door kieuwen te ademen, maar krijgen later
longen.
Salamanders behouden hunne kieuwen.