Boekgegevens
Titel: Nieuw brieveboek, voor leerlingen van 8 tot 13 jaar, of Beknopte handleiding tot het vervaardigen van brieven en andere in de zamenleving voorkomende geschriften
Auteur: Brug, Steffen Lambert
Uitgave: Harlingen: S. Houtsma, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 677 H 58
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204200
Onderwerp: Communicatiewetenschap: schrijven
Trefwoord: Schrijfvaardigheid, Brieven, Formulieren (administratie), Voorbeelden (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw brieveboek, voor leerlingen van 8 tot 13 jaar, of Beknopte handleiding tot het vervaardigen van brieven en andere in de zamenleving voorkomende geschriften
Vorige scan Volgende scanScanned page
iOÜ
maar ons oo4v voor onze eeuwige bestemming moeten
voorbereiden, — dat do Godsdienst daartoe onmisbaar
is, — 011 dat wij zonder deze ook in dit leven niet ge-
lukkig kunnen zijn, — vooral behoefte aan Godsdienst
hebben, wanneer ons rampen treffen, eu wij troost be-
hoeven, om geduldig, onderworpen, op Gods uitredding
te hopen.
ISc. B. laat zich daardoor overtuigen, dat hij gedwaald
heeft, — geeft te kennen, dat hij auders eu beter wil
haudelcn, zich op het Godsdienstig onderwijs evenzeer,
ja nog meer wil toeleggen, dan op andere kundighe-
den , omdat hij inziet dat dit leven zoo kort is, in ver-
gelijking tot onze eeuwige bestemming.
Stelt gij nu eens de drie brieven, die zij elkander
daartoe hebben gezonden.
16". C. verzoekt aan D., om op den volgenden dag
met hem te gaan, om eijertjes te halen uit de nestjes,
die hij in eenige boomen en heggen heeft gevonden, —
hem in die boomen to helpen klimmen, de eijertjes voor
hem to dragen, die dan te deelen, uit te blazen, er
zich op te vergasten, eu de fraaije dopjes iu een snoer
te rijgen, om die aan den wand te hangen.
166. Hierop antwoordt D. hem, dat hij ongenegen is,
aan dat verzoek te voldoen, — dat het zijne schuld zou
zijn, zoo hij. dood viel, —dat zijne kleederen er te veel
van zouden lijden, — dat hij geen mond wil open doen
voor die kleine eijeren, — liever een hoenderei eet, —
en er geen eer in zou stellen, zulk een snoer aan den
wand to hangen.
Ißc. Omdat D. er zoo over deukt, noodigt C. hem
uit, om te zamen naar het veld te gaan, en daar eije-
ren van kievitten, leeuwrikken eu andere vogels te
zoeken, dewijl zij dau in geen' boomen behoeven te
klauteren, eu grooter eijeren bekomen, die gekookt eu
gegeten kunnen worden.
mm