Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
71.
Zijn bedrieglijk uitwendig ontdekte immers niets van de booze
plannen , die binnen zijn ziel omgingen.
176. 't Is herfst geworden; de bloemen des zomers zijn verdord,
gure najaarsvlagen ontbladeren 't loof der boomen; de koude lucht
strijkt verkillend over de kabbelende vloed ; weldra daalt sneeuw
en hagel neder en tooit de aarde in haar winterdos.
177. Daar ik volgende maand naar Itaalje te vertrekken denk,
heb ik mij reeds voorloopig deszelfs taal toegeeigend. Waar is 't
dat de lord Byron en onze dichter Bilderdijk van de zachtvloeiend-
heid des Italjaans melden.
178. Zoo duister was 't niet of we vermochten de ons omgevende
voorwerpen duidelijk te onderscheiden op cmze tehuisgang.
179. Hij riep mij ter zijde na mij in 't geheim toegefluisterd te
hebben, hij een ding van gewicht te verhandelen had. Doch schoon
ik oplettend toehoorde, kon ik hem niet vatten, schoon hij veel
moeiten zich gaf om mij geheel toe te lichten. Of ik was zoo
onverstandig dat ik zijn ingewikkelde spraak niet begrepen heb, of
(en dit docht mij waarschijnlijker) in zijne woorden was geen
draad te vinden. Ik dorst niet te zeggen, dat ik er niets van
begreep; immers, prikkelbaar als hij is, kon hij opvliegend wor-
den en mij van spotzucht of onverschillendheid aantijgen? Is hij
daartegen kalm, dan is hij de beste man der menscheid en zoo
tam als een schaap.
180. Op dezen vettigen kleibodem tieren de ceders, welke ik er
plante, welig op.
181. "Van mijn kindsbeen af aan een maagziekte lijdend, zocht ik
vergeefs een doorkneden arts om de ziekte of te beteren of min-
minstens tot stand te brengen. Mijn begunstigdo kostjes, padden-
stoelen en truffelen, zijn mij zelfs ontzegd. De geneesheeren zijn
't over de wijze mijner behandeling geheel oneenig. Van dag
tot dag word ik slimmer in den laatsten tijd. Wierp ik eens
alle geneesmiddel op zijde, wie weet hoe snel ik mijne herstel-