Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
73
krieuwelt van visch. Gelukkige 1 hoeveel benijd ik U, ik die in
muffe wanden dezer stad ben opgesloten ! en dat 't mij juist ver-
hinderd werd bij U de frissche landlucht in te ademen, toen ik
verlof had bekomen eenigen weken uitstedig te gaan. Dat mij
die vacantie zoo verbitterd werdt 1 Doch ik heb weer reden tot
dankbaarheid. Van de dollehondsbeet, die de oorzaak was mijner
huisarrest, zijn de nadere gevolgen uitgebleven.
168. De dood is de verschriklijkste tyran; zij ontziet niemant.
Mogen wij haar steeds met een schoon geweten in de oogen
zien.
169. De heerlijkste Javakoffi, de geurigste Manillacigaren, de
lekkerste sinaasappelen hebben wij bij den vader des vaders van
't oude mannenhuis, die naast dezen ouden kleerekoop woond,
genuttigd, toen wij zijnen acht-en-seventigsten verjaardag vierden
en hem door de rijkste gaven van onze hartelijken vriendschap
deden blijken. Hij was de man , dien gij gisteren bij mij ont-
moette ; schoon zeer bejaard, geniet hij toch de volledigste ge-
zondheid ; nog meer dan ik die eenenveertig ben.
170. Tot de plebs van Rome rekene men niet alleen 't plebs
dier stad !
171. Uwe verleidelijke aanbodden heb ik met edele gramschap
gewezen van de hand. Gij feilt, als ge denkt dat ik U diep min
acht.
172. 't Is zeer bekend dat de struis achtervolgd zijn kop in 't
zand dompelt , als konde hij dusdanig zijn vijanden en belagers
ontkomen.
173. 't Is moeilijk zijn driften te temmen, maar die zich
zeiven overheersc^t is grootscher dan hij die dat anderen doet.
174. Wie uwer is onkundig aan de geschiedenis van Damokles
den lieveling van Dionysus, Syracuses' tyran?
175. Hoe hadden wij kunnen raden, dat deze schelm, in wien
wij geheel ons vertrouwen hadden geplaast, ons verraden zoude?