Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
161. Men zegt, dat deze man zijn eigen huis heeft aangesto-
ken; maar ik verzeker U, dat 't de blixem ontstoken heeft en
hij er dood onschuldig aan is.
162. Ga flukjes naar den apteker en haal mij aanstonds te-
gengif of ik sterf gezwind. Ik gevoel de schrikbarendste pijn
door al mijne lichaamsdelen. God weet of ik niet Berlijns blauw
of Pruisisch zuur in de aderen heb!
163. Wel heb ik niet altijd een schoon geweten, maar als ik
iets misdreven heb, berouw ik zulks ten zeerste en vlieten er
tranen van mijn wangen van berouw.
164. Minerva vervormde zich in de figuur van Mentor en
verscheen aldus voor Ulysses zoon.
165. Deze geleerde, doortrapt in de geschiedenis zijns lands,
lang geen vreemde in die anderer landen, berucht wegens zijn
flinken omgang met de pen, is heden nacht overleden en heeft
alzoo zijn vaderland een der aanzienlijkste verliezen toegebracht.
Eein was hij in handel en wandel, voor omkoping onvatbaar,
wars van partijdienst, begiftigd met een geheel onzijdig oordeel,
geniaal en koen in opvatting en daarstelling, kortom een ver-
eeniging van geleerde en dichter, 't geen meestal een zeldzaamheid
is. Ik heb verwaarloosd te zeggen, dat hij daarbij een edel,
gevoelvolle mensch was, die niet alleen met de flambouw der
wetenschap anderen voortlichte, maar ook alle hulpbehoevende
ruimschoots zijn liefdadigheid bewees.'
166. De vrouwen, zegt men te recht, zijn zwakke tonnen;
laat ons hen eeren en ontzien; sij vlechten hemelrozen in onze
aardsche levens. Mannen, als Diogenes, de hondschebijgenaamd,
de wijsgeer, de man, die in een vat woonde buiten Athene en
niets behoefde, konden de vrouwen verachten. W^ij verheerlijken ze.
167. Wegens verhindering aan mijn been ben ik belet ge-
weest U op te zoeken. Ge zegt dat gij een heerlijk oponthoud
hebt in eene gansch heerlijke streek uitziende op een water, dat
I 5.f
t «Ä