Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
meest armoedige lui, weinig beschaafd en niet berekend voor
hunne hoogdravende rollen. Om ü een staaltje te geven, zoo
i trad in een zeker stuk een der comediantenvrouwen, zelve ook
toneelspeelster, op in predieantenkostuum en hield tot een bijeen-
" gezamelde menigte de volgende alleenspraak: Het wezen, dat
"; de hemel en aarde vervaardigde, den mensch en 't sprakelooze
'' vee schepte , heeft ook U 't aanschijn geschonken, maar gij ver-
! geldt zijne ontelbare weldaden die hij zegenend op U nederstort,
met de donkerste onerkentelijkheid. In stede van op hem als op
1 een vaste klip te bouwen, zoekt gij heul en troost in 't wereldsche
en wendt U blikken van 't hemelsche af. Gelijk de oude Grie-
ken en Eomeinen hunne afgoden oflferbullen slachten, om ze
I' met hunne zonden te verzoenen en door geen openhartig be-
i rouw daardoor vergeving zochten te krijgen, denkt gij dat U
milde giften aan de armen alleen U zullen vergoeden, wat gij
elders misdrijft. Verdwaalden! verbasterden, die gij zijt, van
't edele ras Uwer deugdzame voorouderen, rein van handel en
wandel als zij waren, etc.
Ge begrijpt, dat wij op 't horen van zulk eene taal gemengd
met de ellendigst-denkbare voordracht, 't uitbulkten en onze
handen schuurden van vergenoegen. Er is immers veel zelrbe-
heersching noodzakelijk om zich daarbij in te toomen en den
lachlust te verdrukken bij die gekkepraat ? Mij dunkt, dit hoeft
geen wijder vertoog.
153. De apeliefde en de apekuren van dezen boerenkinkel,
wiens afschuwelijk apegezicht door welgevormde hazelip of haze-
mond ontsierd wordt, doet mij walgen. Werkelijk, de natuur
heeft hem zijne gaven niet verspild. Behalven voornoemde be-
koorlijkheden , heeft zij hem nog een paardenvoet geschonken,
waardoor hij al loopende allerlei bokkesprongen maakt, die aller
gelach veroorzaken. Ook bedrijft hij allerlei kattekwaad en is
met recht de schrik van de buurt.