Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
digen, zal ik eerst de zaak onderzoeken en wel verre hem te la-
ken , beginnen zijn gehouden gedrag te prijzen. Vaarwel dus,
op wederzien. Ik heb met veel genoegen Uwe kennis gemaakt;
geloof mij, want ik versta de kunst niet te veinzen, en heb een
afkeer mijne gevoelens te bemantelen, 't Verdriet door mij UEd.
verkeerd beoordeeld, de angst mij door 't publiek miskend te
zien, zou mij den dood doen. Men zal mij nooit kunnen
beschuldigen onwaarheid te hebben gesproken. Vergeef mij dus
dat ik eindig mij aan ü zeiven aan te bevelen, gelijk ik begonnen
ben mijnen toestand voor U blooteleggen. Laat ik nu van U
afscheid nemen. Laten wij altijd vrienden blijven. Laat ons een
drukke briefwisseling voeren. Laat ik vaak 't genoegen smaken van
Uw aangenaam bijzijn. Ik zal mij een bezoek van U een groote
eer rekenen. Vaarwel dan op wederziens!
De man had genoeg gebabbeld mij de ooren te doen toeten.
Zijn onomwonden ingenomenheid met zich zeiven was te schrof
verdragen te worden. Kortom, zijn ik of persoonlijkheid was
niet om te dulden — ik vergis mijzelven was niet te dulden.
Wat of daarvan de hoofdreden was? Twijfelt ge of zijne op-
voeding daarvan niet de schuld was ! (Kern § 136) Wat fami-
lie had hij ook! Zijn vader was een gevaren matroos , zijn oom
een gereden huzaar , overigens veel beleefde menschen ; maar zij
hadden den jongeling van zijn jeugd af aan een verbaasd slechte
opvoeding gegeven. Deze waarheid is uitgemaakt, 't Zij mij ver-
gund er aan toe te voegen , dat zijn oom een rijk en bestudeerd
man hem ten minste nog iets deed leeren en op een kantoor
plaatste, waar hij door plotselingschen dood zijns patroons en
schatrijk huwelijk karrière maakte. Maar ik heb geen lust over
hem langer te redevoeren.
«ik