Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
8. Hoed u tegen vleierei en wees gewaarschuwd tegen de la-
gen, die hij u legt.
9. 't Bezit eener goede gezondheid weegt ruimschoot op aan
overvloed van schatten, 't Is reeds boven 't jaar, dat die rijk-
aard ziek ligt! Den geneesheer is hij reeJs boven de vijfhon-
derd guldens schuldig! O kunst! o wetenschap! o weelde! hoe
belach ik u, als ik gezeten ben voor een welvoorzienen disch en
als drie eet! Nu ben ik arm! maar word ik eens uit arm rijk
mijne gewooutens zullen niet veranderd worden! Nimmer zal ik
dan ook tegen mijn oude vrienden schelden; integendeel ten hunnen
behoeve zal ik al 't mogelijke verrichten; immers zoo niet, dan
zou ik de aanspraak naar alle achting verliezen; en hoe zoude
zulks bestaanbaar zijn tegelijk met mijne afschuw voor trotsheid
en ijdelheid? Steeds heb ik uitgevaren tegen die verwaten par-
venus, welke waar zij hunne vroegere vrienden ontmoeten, zich
derzelver schamen en miskennen, ja tegen hunne minderen niet
eenmaal minzaam, vriendelijk, beleefden heusch zich betoonen.
10. Den Ruyter werd 't gezag der vloot opgedragen, toen wij
met (?) Spanje oorlogden.
11. Deze man is mij helaas verwant door aanhuwelijking;
hij is tot geene betrekking in staat en tot niets letterlijk be-
kwaam.
12. Wee Julia, ik aanbad u, ik bad u aan, maar als mijne
liefde tot haat, mijne aanbidding tot verachting zal verkeerd
zijn, dan eerst zult ge mijn gemis, wat zeg ik mijn vijandschap
gevoelen. Meen niet dat ik van woede sta te schuimbekken,
daar ik zeer bedaard ben. Ik beroem mij geenzins voor 't geen
ik voor u verrigt heb. Ook niet dat ik spijt levensgevaar u,
drenkelinge, gered heb. Meen geensins dat ik mij van wanhoop
't leven ontnemen zal.. . Ge zout dan toch over mijne dreige-
menten spotten en uw sarcasme zou 't hart mij doorsnijden.
Neen, geen medelijden voor mij ongelukkige! Onder tranen in
4