Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
interessante persoonlijkheid. Hij had heel Europa doorrezen en
kon daarover aardigjes keuvelen. Ook merkte ik onder 't or-
kester vele vreemdelingen op, als daar zijn een Hanoveraan, een
Beieraar, een Hongaarder, ja zelfs een Algeriër en Aziër. Doeh
ik ben vergeten u te zeggeii, dat 't onmuzikale publiek haar
door levende toejuichingen hun bewondering te kennen gaf.
37. Uw laken is mij te duur, zei ik den lakenkooper, driegul-
dens de el! 't is niet meer dan een daalder waard. De man werd
zoo woedende, dat hij mij toeschreeuwde: Weg, mijne winkel
uit of ik verworg u! (Kern § 123.)
38. De gansche dag (Kern § 98) bleef ik bij hem en vergat alles
om mij henen (Brill 108. 2) als hij van zijne krijgstochten ver-
haalde. Gaarn (Kern \ 64) had ik de gansche nacht doorgeluisterd
naar zijn wegslepende taal. Hij had de zonA&tlijke gewoonte van
met een stokje, dat ongeveer een halve voet lang was, op tafel
te slaan, om zijne woorden klem bij te zetten. 39. Dit huisje is
breeder dan 't lang is (Kern j 81). 't Is namelijk een en twintig
en een halve voet lang en vijf en dertig en een halve voet breed.
40. Daar ploft hij neer, de rug doorpriemd met pijlen. (Kern § 98).
41. Zij vervolgden den vluchtenden vijand, de sabel in de vuist.
42. Uw raad gedachtig heb is wijs gehandeld. 43. Zijn hooge
roeping bewust onttrok hij zich aan de nietsbetekenende vermaken
der wereld. 44. De burg meester, gaf de overwinnaar zich de
buitenporigste vreugde over. 45. De dood schuldig pakte hij zijn
biezen en zijne vervolgers ontkwam hij gelukkelijk. 46. Een ge-
strenge meester gewoon, schikten de slaven zich in hun treurig lot
en verdroegen zijn wreedste wreedheden. 47. Eindelijk werd ik,
wien ik zocht, gewaar.
48 Zwervens moede (Brill § 108. 2) trad ik de herberg bin-
nen en versterkte mij om een krachtigen maaltijd.
49. Zwervens moede kocht ik mij een klein huisje met tuin 1)
om mijne overige levensjaren in door te brengen.