Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
zij verkeerd gezien dan wel of ik geen blijken gaf van 't geen nu uit
mij worden kan — nederigheid en zedigheid, deugden die ik
in de hoogste mate bezit (gelijk gij ziet), die beletten mij daarin
te beslissen. 8. Noch Cats noch Spieghel kan bij Vondel, noch
Corneille noch Racine kunnen bij Sophokles vergeleken worden.
9. In de eeuw van Pericles bereikte en de kunst en de weten-
schap zoo eene ongekende hoogte van bloei, dat men nog elk
luisterijk tijdperk, waarin 't dichters, wijsgeeren, letterkundigen,
in één woord van elk slag regent, met die naam stempelt.
10. En de handel en de nijverheid moeten worden beschermd,
teil een volk in de ontwikkeling met andere volkers denzelfden
tred houden. 11. De Prauschen is 't geestigste volk van Europa.
13. De Engelschen is een zeemogendheid wijd en zijd ontzien
en gevrees. 13. De Duitsehen zijn 't denkende volk bij uitne-
mendheid. 14. De Italianen zijn de meest levende, de Hollanders
de meest kalme natie ter wereld. Ja koel zijn zij, doch oogen-
schijnlijk, maar 'mdeA&a<.\ wakker en trouw. De vrijheidsoorlog met
Spanje toont aan dat onderdrukking hen ontwaakt. 15. De her-
senen zijn allerwaarschijnlijk des verstands zetel. 16. Ondervinding
is de puiksfe leermeester. 17. Vondel, onze puike dichter, werd in
Keulen ter wereld gebracht. 18. Zuinigheid en vlijt bout huizen
als kastelen. 19. Een linker- en rechterhanschoen maakt een paar.
Vervolg.
(Kern § 52. 64. 97. 99. 111—115.)
1. Wie was de overwinnaar der Romeinen? was hij niet l'yr-
rhus? 2. Gij speelt noch ongelukkiger dan ik; mij is zelden de
fortuin gunstig; u is zij dat nooit. 3. Zijn wij ooit genoechlij-
ker saêm geweest als gister-avend ? Is er ooit meer klugttn ver-
toond , koddiger liedjens gezongen, geestiger zetten verteld ?