Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
groot pleisier kuunen doen. Maar zal ik willen? Zal! riep hij
mij toe. Mij docht, dit was een grove fout en ik had goed ge-
dacht. 54. Wij leidden een deugzaam en ingetogen leven, maar
veel verdriet. 55. Wij tegen aan 't werk en ziehier wat onze
hand gewerkt heeft! 56. Ik rees in aller schatting, toen men
vernam dat ik Europa doorreisd had. 57. Ik fluitte voor de kost
en floot van pleizier. 58. De rechteren vonnisden deze ellende-
lings. De timmerman vernisden deze tafelen.
Vervolg.
(Kern § 121, § 122.)
1. Daar komt een menigte menschen. Wat een menschen
komt daaraan! Wat voor menschen 't zijn, weet ik niet,
2. Gisteren borst een geweldige brand ten huis van dees land-
bouer. Menschenlevens zijn niet betreurbaar, want man, vrouw
en kind is gered en in goeden welstand. Doch kleeren, meubel-
werk, kortom al 't overige werd een buit der vlammen. 3. Noch
ik , noch gij zullen ooit eene zulke laagheid verrichten, noch tot
zoo groote eene valsheid in Staat zijn. 4. Gij noch hij hebben
mij willen grieven, maar toch waren uwe woorden aan mij zeer
onaangenaam. 5. Gij noch zij weten iets van 't geheim af.
6. Zoowel ik als gij verdienen om ons heldhaft gedrag beloond
worden, maar toch zijn wij voorbijgegaan. Laat ons ons troos-
ten, dat de paarden, die den haver verdienen, ze niet krijgen.
Zoowel de deugd als de ondeugd brengen haar tig&i^dommeliß
loon met zich. 7. Noch mijn oom noch mijn voogd hadden eer-
tijds een hoog denkbeeld van mijne schranderheid; maar zoowel
de een als de ander bedrogen zij zich in mij en hebben ook niet
geaarzeld mij van deze hunne grove dwaling ter zeerste hun le-
vend berou te getuigen. Of 't hunne of mijne schuld waren, of