Boekgegevens
Titel: Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Auteur: Cosijn, Pieter Jacob
Uitgave: Haarlem: erven F. Bohn, 1880
3e, onveranderde dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3006
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204170
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stilistiek, Grammatica, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Cacographie. Ten gebruike bij het middelbaar onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
III. Waarste vriend ! wat is 't bezit van rijkdom en schatten bij
't genot eener leste gezondheid?
Lachender veklen, dan gindsche met de goudgeelste korenaren
bedekte landerijen zult gij elders te vergeefsch zoeken.
Lekkerbekken verzekeren, dat hert vleesch 't malschste, doch
juist niet 't bestkoo^e vleesch is.
Van kwaad tot —, zegt 't Spreekwoord.
De kwaadste vijand doet dikwijls minder kwaad dan de bcst-
mecnende vriend.
Welk metaal is zwarer dan goud? welk steen kostbarer dan
diamant?
Deze is de meest vrijmoedig mensch, dien ik ken.
Deze is de bestsprekend redenaar ons lands.
Deze is de meeat fijn gevoelige en de meest innemende man onder
mijn vrienden.
Aardigere liedertjes, koddigere verhalen, snederige gezegdes,
hooger dravende verzen, zoeter vloeiender taal heb ik nimmer
gehoord dan op de lastst verloopen Rederykerskamervergadering
van ons.
De Donau is een snelvlietender en sterkstroomder rivier dan de
I.Isel, maar deze is kleiaanslibbender en heeft rietbewassener oevers ,
dan gene. En wat doet het er toe dat des Donaus water helderer
dan dat des I.Issels is?
IV. Als ge dien ruiter op zijn moedigen ros door de velden ziet
rennen, denkt ge inden tijd verplaatst te zijn der Centauren, die
halve menschen en halve paarden waren in de fabeleer.
Mijn vriend heeft zijn oud huis, dat hij onlangs gebouwd maar
uit Awispelturigheid verlaten heeft, verkocht voor de onbeduiden«<e
som van tienduizend gulden«. Dit is een niet een onaardig staaltje
van 's mans veranderzucht. Hoe, een gering bewijs vraagt ge?
.Ia, zeg ik U, en slaat ge mij geen geloof, vraag 't dan aan
allen, die hem kennen en U van 't zelfde zullen verzekeren.
2*