Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloetn.
79
van den zaadknop — de zoogenaamde kern die door
1 of 2 vliezen omgeven is — met de holte van het vrucht-
beginsel in gemeenschap. Het aantal zaadknoppen in
één vruchtbeginsel kan groot zijn (fig. 54), maar ook
gering (fig. 83 VIH), ja het kan tot één afdalen, zoo-
als ons het onderzoek van Grasbloemen en Boterbloe-
men kan leeren.
C. Uén- en Tweeslachtige bloemen.
Alle bloemen, waarin zich tegelijkertijd meeldraden en
stampers bevinden, worden tweeslachtig genoemd.
Men duidt ze kort aan door het teeken ^ .
Niet in alle bloemen komen meeldraden en stampers
bij elkaar voor. Er zijn verscheiden planten, die meel-
draadbloemen op het ééne individu bezitten, terwijl de
stampers op een ander individu te vinden zijn.
Bloemen met meeldraden en zonder stamper heeten
Fig. 86'.
m a n n e 1 ij k (teeken ), bloemen met één of meer stam-
pers maar zonder meeldraden noemt men vrouwelijk
(teeken s). Beide vormen zijn natuurlijk éénslach tig.
Fig. 86* I vertoont ons een mannelijke of meel-
draadbloem van het Pijlkruid. Binnen het perigonium,
dat hier uit twee onderling zeer verschillende kransen
bestaat, merkt men alleen meeldraden op, terwijl een