Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
De bloem.
61-
B. Bloemkroon.
Fig. 04.
Door de teederheid en vergankelijkheid van het weef-
sel onderscheidt zich de bloemkroon op het eerste gezicht
van den kelk. Gewoonlijk valt zij van een grooten af-
stand in het oog, daar zij door hare afwijkende kleur
duidelijk tegen het groen van het loof afsteekt.
De gedaante der bloembla-
den is gewoonlijk eenvoudig,
meestal rondachtig, langwerpig,
eirond of lancetvormig (fig. 54
en 56), zeldzamer is de plaat
(het bovenste deel) vinspletig
(fig. 64, Koekoeksbloem). Het
benedengedeelte van een bloem-
blad is niet zelden versmald en verlengd; men noemt
het bloemblad dan genageld. De kroonbladeren zijn
in den regel vlak en effen, soms min of meer gebogen.
Ook de bloemkroon is vergroeid bladig of meerbladig
(losbladig). Is zij vergroeidbladig dan kan men weer
lobben, tanden of slippen onderscheiden.
Voorbeelden: Een meerbladige bloemkroon bezitten
de Boterbloem, het Viooltje, de Aardbezie, de Kers;
vergroeidbladige: de Primula, de Sering, de Doovenetel,
de Haagwinde.
De bloemkroon is regelmatig of symmetrisch
(onregelmatig). Men noemt haar regelmatig, als alle
blaadjes, tanden, lobben of slippen gelijk van vorm en
grootte zijn. Bij onregelmatige of symmetrische zijn die
deelen niet alle gelijk, maar in zooverre is er toch
regelmaat in te ontdekken, dat men haar door één