Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
-52
De bloem.
weldra, dat de bladeren die 't meest naar buiten zitten,
dikwijls groen zijn (/.: flg. 51). Meer naar binnen vinden
we een aantal blaadjes (&), die van de eerstgenoemde
door den grooteren omvang en de schoonere kleur af-
wijken, maar er mee overeenkomen, doordat zij evenals
gene min of meer tot een gemeenschappelijke buis ver-
eenigd kunnen zyn. Deze beide soorten van bladeren,
Fig. 51.
die slechts zelden geheel en al ontbreken, heeten te
zamen de b 1 o e m b e k 1 e e d s e 1 e n. De buitenste vormen
met elkaar den kelk (/e), de binnenste de b 1 o e m k r o o n
(b). De onderdeelen van den kelk noemt men kelk-
bladen of kelkslippen, die van de bloemkroon
bloem- of kroon bladen of kroon slippen.
Daar nu bij de éénzaadlobbige planten (zie p. 29) de
buitenste en binnenste bladerkransen meestal gelijk ge-
kleurd zijn en in vorm weinig verschillen, noemt men
daar de bloemkleedselen te zamen bloemdek of
perigonium, maar bij tweezaadlobbige planten onder-
scheidt men altijd kelk en bloemkroon, ook al zijn ze
gelijk gekleurd, wat trouwens niet dikwijls voorkomt. —
Ingeval slechts één krans van bloembekleedselen aanwe-