Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Het blad. 28'
Fig. .34.
Fig. 35.
slotte waarom men van eindknop en zij-
knoijpen spreekt.
Reeds vroeger (pag. 3) was sprake van
kiemplanten. Wij verstonden daaronder zoo-
danige, die pas uit het zaad te voorschijn
zijn gekomen. Daarbij merkten wij op, dat
de eerste twee blaadjes der plant een af-
wijkenden vorm vertoonden en daarom ter
onderscheiding van de loofbladeren kiem-
bladen of zaadlobben worden genoemd.
Dat het werkelijk bladeren zijn blijkt aller-
eerst uit hunne regelmatige plaatsing aan
den stengel, maar ook uit de omstandig-
heid, dat zij soms geheel en al het ken-
merkende van loofbladeren aannemen. Zoo
is het b.v. met de zaadlobben van Tuin-
kers, van Radijs, van den Esch-
doorn. De zaadlobben (c c) van de
Boon (fig. 34') evenwel zijn zeer
y vleezig en bovendien wit, en die
van Erwten groen of wit; zoo zijn
er meer andere voorbeelden, waarin
het onderscheid met loofbladeren
duidelijker opvalt.
Wij willen niet nalaten hier uit-
drukkelijk te vermelden, dat er ook
verscheiden planten voorkomen, die
bij de kieming slechts één enkele
zaadlob vertoonen. Zoo b.v. Grassen,
de Amaryllis (fig. 35 c t, fig. 1* c), de
Palmen, de Lisschen, de Leliën enz.
Ook kan hier de zaadlob vleezig of