Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Phanerogamen. 299
heeft op de volgende wijze plaats. De door den wind
op de vrouwelijke bloem gebrachte stuifmeelkorrel dryft
een korte buis uit, die tot de corpuscula doordringt
en met de groote eicel in wisselwerking treedt. Na de
bevruchting scheidt zich het onderste gedeelte d als
afzonderlijke cel van het overige af, verdeelt zich in
cellen (II f) en vormt zoodoende den aanleg der kiem.
Van de verdere ontwikkeling vermelden wij alleen dat
deze aanleg tot lange buizen uitgroeit, die het endosperm
binnendringen, en dat één dier buizen het embryo vormt.
Tot nadere kenschetsing der Gymnospermen voegen
wij hier nog bij, dat hunne zaadknoppen slechts één
hulsel bezitten en herinneren wij er aan, dat de vrucht-
bladen niet zijn opgevouwen. Laatstgenoemde deelen
zien er wel meestal als min of meer gerekte schubben
uit, zooals bij sparren, maar vertoonen dikwijls ook
den vorm van bladeren met duidelijke insnijdingen
(Cycadeeën). Bloembekleedselen komen bij de Gymno-
spermen niet voor. De loofbladen zijn meestal naald-
vormig, zelden schubbig of vlak; toch kunnen zij ook
samengesteld en wel geveerd zijn. In inwendigen bouw
komen zij meer met de Dicotyledonen dan met de
Monocotyledonen overeen.
1® Klasse. Cycadeeën.
Varenachtige planten met weinig ontwikkelden on-
vertakten stam, die over de geheele oppervlakte be-
dekt is met de litteekens van afgevallen bladen. De
bladeren vormen een kroon aan den top van den stam,
ze zijn groot, enkelvoudig geveerd en in de jeugd,
evenals bij de varens, spiraalswijze ingerold. De twee-