Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Het blad.
11'
Men maakt het bladskelet het best als het blad eerst
gedroogd is; in bosschen vindt men dikwijls volkomen
zuivere bladskeletten.
In de derde plaats hebben wij te letten op de insnij-
dingen der bladschijf. De meeste bladeren vertoonen
ze; loopt de rand evenwel recht door, dan noemt men
het blad gaafrandig. Nu onderscheidt men twee groe-
pen van insnijdingen: l". oppervlakkige, 2''. diepe.
Zooals de naam reeds zegt, verschillen ze in de meerdere
of mindere diepte, maar men kan er nog bijvoegen, dat
het aantal uitspringende tandjes van een oppervlakkig
ingesneden blad veel grooter is dan het aantal slippen
van een diep ingesneden blad. Ook ziet men in elk der
slippen van het laatstgenoemde een dikke nerf loopen.
■Fig. 15.
Fig. 16.
Fig. 17.
Fig. 18.
terwijl dit met de tandjes der oppervlakkig ingesneden
bladeren slechts bij uitzondering het geval is.
Oppervlakkige i n s n ij d i n g e n. Deze worden
aangeduid door de volgende termen: gezaagd (fig. 15),
golvend (fig. 19), gekarteld (fig. 17), getand
(fig. 16), en golfsgewij*ze geplooid, waarbij de gol-
ving loodrecht op het vlak van het blad gericht is. Laatst-
genoemd geval doet zich o. a. voor bij Laurierbladeren;
van de andere zijn gemakkelijk voorbeelden te vinden.