Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vorming der voedingsstoffen. 250^
uitdrukt) dan krijgen wij de aanzienlijke lengte van 4 M.
Dat wil dus zeggen dat als wy in plaats van kwikzilver
water hadden genomen, dezelfde tak water over een verti-
kalen afstand van 4 Meter verplaatst had. Het is vooral
door deze zuigkracht dat afgesneden planten, zoowel hou-
tige als kruidachtige, langen tijd in leven blijven, wanneer
zij in water worden geplaatst. Intusschen komt hierbij
de gemakkelijkheid, waarmede het water door den stengel
wordt voortgeleid, in aanmerking. Het is het hout dat
hierbij de hoofdrol speelt. AVanneer men een stam of
tak ringvormig ontschorst, d. w. z. een ringvormig stuk
schors tot op het hout afsnijdt, dan zal de waterstroom
die naar takken en bladen opstijgt, ongestoord voort-
gaan, terwijl deze ophoudt, wanneer omgekeerd het
hout wordt verstoord en de overige deelen van den
stengel blijven bestaan. Hieruit heeft men afgeleid dat
het hout de weg is, waarlangs het water naar de bla-
deren gaat en dat het beter dan eenig ander weefsel
in staat is de vloeistof met de noodige snelheid voort
te leiden. Zoo ziet men b.v. dat naarmate de boomen
door het telken jare grooter worden hunner kroon meer
bladeren krijgen, ook de houtcilinder door het vermeer-
deren der jaarringen in omvang toeneemt. Een ander
feit, waaruit het verband tusschen hout en watervervoer
blijkt, is de bijna geheele afwezigheid van hout bij
ondergedoken waterplanten. Bij deze gewassen is de
waterstroom zeer zwak, wijl zij niet verdampen. AVan-
neer het nu waar is, dat de bladeren van landplanten
een bijzondere zuigkracht hebben en het hout bij uitstek
geschikt is om het water voort te leiden, dan zou men
geneigd zijn te meenen dat de wortels der plant vrij
overbodig zijn. Terwijl dit voor sommige waterplanten