Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vorming der voedingsstoffen. 246^
voor en dringen, zooals door bijzondere proeven bewezen
is, in de wortels binnen om zich daar sterk te verme-
nigvuldigen en allerlei zonderlinge gedaanten aan te
nemen, waarbij de Y-vorm de meest voorkomende is.
Dat zij inderdaad de oorzaak zijn der knolvorming
blijkt hieruit, dat wanneer men een bodem steriliseert,
d. w. z. door verhitting, liefst onder verhoogden druk,
van deze wezentjes ontdoet, het ontstaan der knolletjes
achterwege blijft. Tevens bevindt men dan, dat de plant
een kommervol bestaan leidt, als men er voor gezorgd
heeft, ook de stikstofverbindingen uit den grond te ver-
wijderen.
Bewezen is dus, dat de grond-bacterie — Bacillus
radicicöla — de Papilionacee van eiwit voorziet,
die hij in een onvruchtbaren bodem niet zou kunnen
opleggen.
De vraag is nu: hebben die bacterien inderdaad het
vermogen om de vrije stikstof te binden, d. w. z. met
andere voedingsstoffen tot eiwit te verwerken, of heeft
men hier alleen te denken aan een buitengewoon sterke
aantrekking die de Bacillus radicicöla op uiterst
kleine hoeveelheden gebonden stikstof in hare omgeving
uitoefent? Tusschen beide oplossingen is de beslissing
door Laurent en Schlösing gegeven. Zij vonden
dat meetbare hoeveelheden vrije N door de wortel-
knollen in eiwit worden omgezet.
10. Wij hebben thans nog te spreken over de wijze,
waarop het water, dat voor de vorming van organische
stoffen, met name zetmeel, onontbeerlijk is, in voldoende
hoeveelheden de plant binnendringt. Zijn wij daarmede
bekend geworden, dan weten wij tevens hoe de straks
genoemde zouten daar komen waar zij moeten zijn, want