Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vorming der voedingsstoffen. 244^
zoo dikwijls als' door het indringen in de plant een of
meer der genoemde zouten niet meer voldoende aan-
wezig zouden zijn, b.v. elke week. Laat men van de
bovengenoemde zouten één of meer weg, dan kan men
zich verzekerd houden van een volkomen mislukking der
kuituur i). Dit verklaart volkomen hoe het komt dat
akkers, waarop jaren achtereen dezelfde plant (b.v. tarwe)
verbouwd wordt, langzamerhand worden uitgeput, maar
ook weer door een kunstmatigen toevoer van een der
voedingselementen in den bruikbaren staat kunnen wor-
den teruggebracht. Betreffende de opneming van stik-
stof dient hier naar aanleiding van de onderzoekingen
der laatste jaren nog iets te worden bijgevoegd. Zooals
op p. 242 reeds gezegd werd, wordt de stikstof, ofschoon
in zulke ruime hoeveelheden in lucht en bodem aanwe-
zig, niet als zoodanig, d. i. in vrijen toestand opgenomen.
De nauwkeurige proeven van Boussingault (1854)
hebben dat voldoende uitgemaakt.
Toch heeft men opgemerkt dat de leden van de groote
familie der Papilionaceeën in staat zijn aanzienlijke hoe-
veelheden eiwit te vormen, ook al staan zij in een bodem,
waaruit met opzet alle gebonden stikstof verwijderd is.
Ja zelfs is het een door landbouwkundigen lang waar-
genomen en goed vastgesteld feit, dat schrale bodems
tengevolge van het dragen van Klaver, Wikke, Lupienen
en andere vlinderbloemige gewassen, hun gehalte aan
stikstofverbindingen vergrooten.
Dit belangrijke feit hangt ten nauwste samen met
eigenaardige voortbrengselen, die men sinds lang bij de
•) Wanneer men één element weglaat, maakt de plant zooveel zetmeel, dat
alle cellen van bladen, stengel en wortel er geheel mede gevnld zijn, doch
eiwit en protoplasma kunnen zy niet maken, daarom groeien zij niet.