Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
232
Vorming der voedingsstoffen. 232^
planten de uitputting, wanneer zij in half donker worden
gesteld, maar normaal is haar levensduur alleen als men
zorgt dat het heldere daglicht ze beschijnt. Hieruit blijkt
dat het licht van invloed is op de vorming van die
stoffen, die wij reeds als voedingsstoffen hebben leeren
kennen. In werkelijkheid ontstaat er in de bladeren
(liever bladschijven) een nieuwe voorraad voedsel, zoodra
zij aan het daglicht zijn blootgesteld. Ten einde ons
een voorstelling te maken van hetgeen in een bladschijf
geschiedt, beginnen wij met
eenige opmerkingen te maken
over hare inwendige samen-
stelling. Een bladschijf bestaat
uit (zie fig. 165) een groot aan-
tal cellen, die duidelijk in vier
lagen gerangschikt zijn. De
bovenste laag is een dun kleur-
loos vliesje, dat men de bo-
venste opperhuid noemt, terwijl de onderste laag, op
gelijke wijze samengesteld, de onderste opperhuid heet.
In beide lagen, maar voornamelijk in de onderste, ko-
men de op bl. 225 genoemde huidmondjes voor, die
elk uit. twee halvemaanvormige cellen bestaan, welke
de concave zijden naar elkander keeren; daar deze sluit-
cellen verschillende vormen kunnen aannemen, maken
zij het eigenlijke huidmondje afwisselend grooter en
kleiner. De beide andere lagen zijn in den regel uit
twee of meer reeksen van meer rondachtige cellen op-
gebouwd en onderscheiden zich behalve door een min-
dere vastheid, ook door de groene kleur van de zooeven
genoemde opperhuiden. Zoekt men naar de oorzaak van
de groene kleur, dan ontdekt men weldra dat deze niet
Fig. 165.