Boekgegevens
Titel: Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Auteur: Costerus, J.C.; Behrens, Wilhelm Julius
Uitgave: Amsterdam: M.M. Olivier, 1896
4e dr; 1e uitg.: 1881
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 2709 : 4e dr
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204169
Onderwerp: Biologie: botanie: algemeen
Trefwoord: Plantkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der plantkunde: ten gebruike bij het onderwijs op de middelbare scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Stoficisseling. 227
twee porties erwten, die lietzelfde gewicht hebben.
De eene portie drogen wij bij 100° C., zoodat het
water ontwijkt, en wegen ze daarna weer. Wij kennen
dan de hoeveelheid vaste stof, die in een bepaalde
gewichtshoeveelheid erwten aanwezig is. De erwten der
andere portie leggen wij ter kieming in een bodem van
vochtig zaagsel en houden ze (om redenen straks te
geven) in donker. Na verloop van eenige dagen nemen
wij ze uit hunne onderlaag en drogen ze, na ze van
alle aanhangende aarddeeltjes gereinigd te hebben, even-
eens in lucht van 100^. Op die wijze verkrijgen wij
dus de hoeveelheid droge stof, die er in de kiemende
planten is teruggebleven, en deze aftrekkende van de
straks gevondene, de hoeveelheid die door de ademha-
ling is verloren gegaan.
Om een voorbeeld te noemen hadden 22 maïskorrels
ongekiemd een gewicht van 8,636 gr., maar 20 dagen
later nog maar 4,529 gr., zoodat niet veel minder dan
de helft was weggegaan. Nader onderzoek leerde dat het
aschgehalte (0,156 gr.) onveranderd was gebleven, maar
dat er C, H en O was verdwenen. Daar nu waterstof
als zoodanig niet uit de plant ontwijkt, moet zij wel
als bestanddeel van water in den dampkring geraken,
zoodat de plant niet alleen door transspiratie (zie later),
maar ook door de stofwisseling water aan de omgeving
afstaat. Ook in dit opzicht bestaat dus overeenstemming
met hetgeen in het dierenryk voorkomt, en kan men in
beide rijken de hoeveelheden COo en HjO, die in een
bepaalden tijd door een zekere gewichtshoeveelheid van
een plant of dier worden uitgestooten, als een maatstaf
voor de intensiteit der stofwisseling beschouwen.
4. Het feit, dat de plant ademt evenals het dier,